Boekrecensie: 'En je ziet nog eens wat' - Renske de Greef

Dat er nou niemand was, die mij op dit boek heeft gewezen vóórdat ik naar Tanzania afreisde! Ook tijdens mijn verblijf in Tanzania heb ik er nooit over gehoord van andere Nederlandse vrijwilligers. Toch heeft dit boek best de nodige aandacht gekregen, vierenhalf jaar geleden, toen het verscheen.

Renske de Greef heb ik de afgelopen jaren ook leren kennen als columniste van NRC Next. Ik vond haar column beter dan die van Aaf, die haar voorging bij NRC Next. Nu vind ik eigenlijk dat deze schrijverijtjes veelal maar weinig van doen hebben met wat we vroeger columns noemden. De introductie van spitsvondige niemendalletjes heeft het columnwezen totaal overhoop gegooid. En daarmee is het fenomeen ‘column’ nogal gedevalueerd, vind ik.

Maar Renske schreef vaak erg leuke ‘miniverhaaltjes’ in de NRC Next. En dit boek is helemaal ook zo geschreven. Een maxiverhaal dus. Je duikelt van de ene kwinkslag in de andere. Wat lijkt het me heerlijk, zo vlot te kunnen schrijven. Ik zit me dan ook altijd af te vragen, of ze ook aan de bar veel leuker kan vertellen dan ik. Hoe werkt dat? Hoe ‘bedacht’ zijn de zinnen?

Afijn, ‘En je ziet nog eens wat’ gaat dus over mijn leefwereld van de afgelopen winter: vrijwilligerswerk in Tanzania. Renske was met haar vriend voor een half jaar naar Tanzania. Heeft toen zelf een anderssoortig project gedaan, maar kreeg ook notie van ‘de vreemde wereld van het vrijwilligerswerk’. Daar heeft ze zich toen op journalistieke wijze goed in verdiept. En ik kan dat zeggen: het boek wémelt van de herkenmomenten. Alleen al dáárom vond ik het zalig om te lezen.

De aansluiting op mijn eigen bevindingen ten aanzien van zin en onzin van (bepaalde wijzen van) organiseren van onbetaalde arbeidzame betrokkenheid van westerse naïeve idealisten, ‘hole in my soul’-opvullers en net-niet-avonturiers en mijn eigen ‘participerende observaties’ als nabeschouwing op de constatering, dat ik ook tot een mix van deze drie typeringen behoor, is naadloos. En het dreunt nu nog steeds na.

Renske was, zo kon ik nader beschouwen, 24 toen ze zelf in Tanzania verbleef, maar ze heeft het boek geschreven als het verhaal van een 19-jarige, die direct na haar middelbare schoolcarrière dit ‘gapyear’ inlaste, inderdaad op puur naïeve gronden. Eigenlijk om haar zus een hak te zetten. Zo goed als álle valkuilen komen voorbij. In het weeshuis waar ze gaat werken blijken de meeste kinderen geen wees te zijn. De mannelijke baas van het weeshuis blijkt al het geld te hebben gestolen. De vrouwelijke baas interesseert zich niet voor de kinderen. De zwoele Tanzaniaan, die ze denkt te hebben veroverd, blijkt haar ook alleen maar als gratis hoer te hebben beleefd en moet direct na de daad gauw weer naar vrouw en kinderen. De andere vrijwilligers zijn zo karikaturaal en tegelijkertijd zo écht, dat je geleidelijk gaat realiseren, dat…. inderdaad de realiteit de karikatuur is. En de culturele twist is alom: je weet nooit of wat je ziet, wat je hoort, wel echt is wat je ziet en wat je hoort. Altijd is er een achteraf-interpretatie, die alles weer in een ander daglicht zet.

Renske de Greef gaat ‘all the way’. Aan de oppervlakte zou je kunnen beweren, dat ze wel totaal cynisch moet zijn. Maar toch is ook te merken, dat ze ook zichzelf (haar personage natuurlijk) kan relativeren. Wie is er nou echt geschift? Wij (de westerling) zijn eigenlijk veel gekker. Ook ik heb in Tanzania meermaals gefrustreerd uitgeroepen naar Tanzanianen, dat ik ‘geen rijke westerling ben en dat ik hier kom om te helpen, niet om geld uit te geven’. Ik realiseerde me ook toen al, dat het dan lastig te verkopen is, dat je ook nog op safari gaat. Iets dat de gemiddelde inlander nooit kan betalen: miljoenen Tanzanianen die nog nooit een leeuw hebben gezien!
De Greef’s personage Guusje stelt dan ook vaak: “..en ik gá helemaal niet op safari!”. Maar ‘local friend’ Baraka lacht smalend en vraagt: ‘Heb jij een computer thuis?’ ‘En heb jij merkkleding aan in Nederland?”. Guusje antwoordt beschaamd ‘ja’ en realiseert zich dan ook dat ze sprakeloos is: iedere ‘mzungu’ (blanke) is rijk.

Juist vorige maand was er een reportage van Brandpunt op TV over het misbruiken van kinderen voor mensonterend lelijk financieel gewin met nepweeshuizen (in dat geval in Cambodja). Ik weet ook wel, dat veel weeshuizen voor goede initiatieven staan, maar ik weet ook (ik hoorde het zelf, maar las het ook terug in dit boek), dat in de toeristenregio in het noordoosten van Tanzania véél meer weeshuizen zijn dan in het nauwelijks door toeristen bezochte zuidwesten van het land. Zouden er dan in het noordoosten ook veel meer wezen zijn?

Voor wat betreft ‘En je ziet nog eens wat’: dit zou éigenlijk gewoon verplichte kost moeten zijn voor jongvolwassenen, die denken zinvol aan het werk te kunnen gaan in een weeshuis in de derde wereld. Nee, eigenlijk ook wel gewoon voor iedereen die wil gaan ‘volunteeren’.

Niko Winkel