Dagblad van het Noorden: "De toestand van Albino's in Afrika is hartverscheurend'"

[30 juli 2016]
Ze gingen naar Tanzania voor een stage in een ziekenhuis, maar verpandden hun hart aan het nabijgelegen albino-centrum. Drie Groningse studentes proberen de leefomstandigheden daar te verbeteren. 
Dit is een uitgebreid artikel uit het Dagblad van het Noorden, van 20 juni jongstleden. Het staat op deze website totdat het Dagblad of de auteur, Vincent Trechsel, mij laten weten, dat dit niet geautoriseerd is gebeurd.  


Het doel was een goede stage te lopen in een ziekenhuis in Kabanga, Tanzania. Maar ja, toen maakten de Groninger studenten verpleegkunde Ellen Prinsen (21), Lieske Groenewegen (22) en Ylse Klein (24) kennis met het opvangcentrum voor albinokinderen aan de overkant van de straat. Het afgelopen half jaar zette het drietal, dat de wortels in Drenthe heeft, zich intensief voor het centrum in. Dankzij hen is elke slaapplek in het centrum bijvoorbeeld voorzien van een klamboe. ,,We zijn deze week ook benoemd tot ambassadeurs van de Nederlandse Stichting Hart voor Kinderen, die de muskietennetten heeft gefinancierd”, vertelt Prinsen, afkomstig uit Erica.

Gevangenis
Dat hadden de studenten een half jaar geleden bij aankomst in Kabanga niet verwacht. Ze raakten wel al snel gebiologeerd door het ‘gevangenisachtige’ gebouw, zoals het albinocentrum er volgens hen uitziet. Vanuit het ziekenhuis keken ze iedere dag naar het opvangcentrum voor 70 dove en 27 blinde kinderen, 38 kinderen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, 105 albino’s en slechts 12 moeders om voor de 240 kinderen te zorgen. De leefruimte voor de kinderen – zo groot als één voetbalveld – is omheind door drie meter hoge muren bedekt met glasscherven. ,,Niemand kan er uit, maar er kan ook niemand in”, vertelt Prinsen.

Geen pretje
En dat laatste is voor de albino’s maar goed ook. In landen als Tanzania, Malawi en Senegal geloven veel mensen in wonderlijke krachten van albino’s. Een ledemaat van een albino zou bijvoorbeeld geluk brengen en tegen allerlei ziektes beschermen. Met als gevolg dat veel albino’s worden verminkt of vermoord.
Een albino zijn in Afrika is toch al geen pretje. Albino’s maken geen pigment aan, waardoor ze lichtblond en spierwit zijn en helderblauwe ogen hebben. ,,Pigment is nodig tegen schadelijke effecten van zonlicht”, weet Klein, die haar wortels in Diever heeft. ,,Albinokinderen missen die basale beschermingsvorm en krijgen bijna allemaal op jonge leeftijd huidkanker.”

Potje gejankt
Om de spierwitte minderheidsgroep een enigszins waardig leven te geven, zijn Afrikaanse autoriteiten genoodzaakt opvangcentra voor albino’s op te zetten. De kinderen zijn er veilig, maar van een goed leven is geen sprake, oordelen de studentes. Achter de poort voetballen kinderen, rennen ze wat of spelen ze spelletjes. Altijd in de brandende zon. ,,Ondanks de geweldige inzet van de twaalf moeders zijn de kinderen behoorlijk op zichzelf aangewezen. Na ons eerste bezoek heb ik in ons appartement eerst een potje gejankt. De situatie van die kinderen is hartverscheurend.”

In het centrum staan vier barakken; de slaapzalen. Er staan bedden met oude matrassen of zelfs zonder matras. Kasten ontbreken, kinderen dragen vaak dezelfde kleding en missen ondergoed. Elke slaapzaal heeft twee douches en twee wc’s, die alle in zeer slechte staat verkeren. De wc is een veredeld gat in de grond. ,,Het ergst vond ik de geur van urine en ontlasting die je ruikt bij binnenkomst”, vertelt Groenewegen. ,,Dat die kinderen daarin slapen, is onmenselijk. Wij konden de stank amper verdragen.”

Educatie
Op een doordeweekse dag gaan de kinderen naar school en krijgen vakken als Engels, geschiedenis, topografie, rekenen, scheikunde en techniek. Alles – op Engels na – gaat in het Swahili, de moedertaal van de Tanzaniaan. Binnen het albinocentrum wordt veel waarde gehecht aan educatie. Stel dat albino’s ooit veilig over straat kunnen, dan zijn ze goed ontwikkeld en bekend met geldende normen en waarden. ,,Dat krijgen de kinderen niet mee van hun ouders omdat die hun kind, nadat ze het hebben afgestaan, bijna nooit meer opzoeken”, legt Klein uit.

Of albino’s ooit nog veilig over straat kunnen, is de vraag. ,,Daarvoor is het probleem te groot”, verklaart Prinsen. ,,Je kunt de wereld niet verbeteren, maar iedereen kan wel iets kleins doen om het wat dragelijker te maken.” Het ophangen van de klamboes is daar volgens hen een voorbeeld van. De aanwezigheid van malariamuggen is in heel Afrika een probleem. Nu worden albino’s niet eerder geprikt door muggen, maar zij kunnen alleen onder zware bewaking naar het ziekenhuis voor een behandeling tegen malaria.

Geen simpele oplossing
Toezichthouders met machinegeweren moeten gelukszoekers dan op een afstandje houden. Groenewegen: ,,Een vriend van ons werkt hier in het ziekenhuis en moest DNA van een vermoorde albino onderzoeken. Daar staan ook twee gasten bij met van die grote geweren. Wij drieën lossen het probleem echt niet op, maar gelukkig zijn er mensen die inzien dat het bijgeloof volslagen idioot is.” Ook al is het centrum volgens de dames geen oplossing, het is nu wel de enige mogelijkheid om albino’s tegen moord en verminking te beschermen. Prinsen: ,,Wij moeten onze ogen niet sluiten voor het probleem rondom albino’s. Zij leven noodgedwongen in het centrum en wij kunnen er met elkaar voor zorgen dat dat leven er iets beter uit kan zien.”

Als ambassadeur van de stichting Hart voor Kinderen houden de drie de stichting op de hoogte van de ontwikkelingen in Kabanga. Weliswaar is hun stage bijna voorbij, maar hun opvolgers van de Hanzehogeschool staan al klaar. ,,Zij kunnen ons op de hoogte houden; wij koppelen dat terug naar de stichting.’’ Albinisme, wat is dat eigenlijk?Albinisme is een erfelijke aandoening waarbij er geen of weinig pigment wordt aangemaakt. Pigment zorgt voor kleur in de ogen, huid en haar. Albinisme is ongeneeslijk. Om albinisme enigszins draaglijk te maken, dienen albino’s zichzelf goed te beschermen tegen zonlicht. In Nederland komt albinisme voor bij 1 op de 17.000 mensen. In Tanzania is dat 1 op de 1400. De oorzaak van dit grote verschil is nog altijd niet ontdekt. Dankzij de felle zon krijgen albino’s vrijwel altijd huidkanker, een ziekte die voor kinderen extra gevaarlijk is door hun snelle celdeling.

Albinisme: wat is het eigenlijk?
-Albinisme is een erfelijke aandoening waarbij er geen of weinig pigment wordt aangemaakt. Pigment zorgt voor kleur in de ogen, huid en haar.
-Albinisme is ongeneeslijk. Om albinisme enigszins draaglijk te maken, dienen albino’s zichzelf goed te beschermen tegen zonlicht.
-In Nederland komt albinisme voor bij 1 op de 17.000 mensen. In Tanzania is dat 1 op de 1400. De oorzaak van dit grote verschil is nog altijd niet ontdekt. -Dankzij de felle zon krijgen albino’s vrijwel altijd huidkanker, een ziekte die voor kinderen extra gevaarlijk is dankzij hun snelle celdeling.

Dagblad van het Noorden, 20 juni 2016 

 

GoTanzania onderneemt: "Op pad naar Kijiweni"

[24 juli 2016]
Tijdens mij laatste reis door Tanzania bracht ik een bezoek aan Ramadan Issa in Kijiweni, een dorpje aan de oever van het Victoriameer. Ramadan is juist bezig zijn apothekerszaak op poten te zetten. Hij kan dat financieren met een lening vanuit GoTanzania, of eigenlijk: vanuit mij (particulier initiatiefje) is gecreëerd. Met dank aan een select groepje enthousiaste participanten. Hier kun je het verslag van die dag, 18 juni 2016, lezen.

Vandaag op de boot op het Victoriameer moest ik regelmatig denken aan de prachtige tocht over de Niger naar Timboektoe, vijf jaar geleden. Ik pakte m’n koptelefoon en zocht op mijn telefoon, waarop ook enige gigabytes met muziek, naar Orginal Sin van Nina Kinert en naar de live-uitvoering van Walaidu van Vieux Farka Touré. Deze prachtige songs horen bij die herinnering. Heerlijk om dat gevoel op te roepen. Nee, zo magisch als toen was het nu niet, maar het was wel alleszins heerlijk om zo langs de heuvelige kusten van het Victoriameer te tuffen op het primitieve houten bootje.

Ramadan was ons op komen halen. We zouden eigenlijk al om negen uur bij hem zijn, bij de haven van Mwanza. Maar hij had al laten weten, dat het wat langer duurde. We begrepen nu ook pas goed, dat hij een bootje ín Kijiweni had geregeld. Het zou in gaan houden dat dat bootje twee keer heen en weer zou moeten van Kijiweni naar Mwanza. Ook om ons weer terug te brengen naar Mwanza, waarna die ook weer terug naar huis, naar Kijiweni zou moeten.
En we kregen er dus notie van dat deze tocht met dit bootje wel drie uren duurt. Het leek ons al snel een beter idee de bootreis één keer te doen en de terugweg via de weg, met een auto, en de ferry te nemen.
We stonden al een tijdje bij de Kamanga-ferryhaven de algehele drukte te aanschouwen – daar is ook de vismarkt – toen we in de verte een klein bootje steeds groter zagen worden. Ineens kwamen om de hoek van het schier-eiland ook naast elkaar de twee grote ferry’s aan stomen. Er zijn twee concurre-rende ferry-diensten van Kamanga, de overkant van een brede Victoria-meer-slurf. Ze schijnen ook echt elkaar de tent uit te willen jagen en om het hardst te varen. Ramadan zwaait ons toe vanaf het bootje, waarin ook twee ‘bemanningsleden’. Een eenvoudig houten scheepje van een meter of 8. Er liggen alleen wat planken overdwars, op luxe hoeven we niet te rekenen.
We varen nog even de andere kant op, waar bij een ander haventje een paar grote jerrycans brandstof worden ingeladen. En dan varen we af, het meer op. Onze bestemming is aan het puntje van een schiereiland dat aan de zuidkant van het Victoriameer een eind het water in steekt. Het schiereiland is een kilometer of 20 lang; Kijiweni is te bereiken over een verschrikkelijk hobbelige zandweg, vol met grote gaten. Je kunt je niet voorstellen, dat er aan het einde van die weg een dorp met wel 10.000 inwoners is! Het merendeel leeft van de visserij.

Maar zover zijn we nog niet. Je zou de hele boottocht ‘saai’ kunnen noemen. Zoveel gebeurt er niet. Her en der zien we kleine vissersbootjes op het water. Het weer is lekker, zonder dat de zon schijnt. Plukken waterhyacinten dobberen op de golven. Regelmatig drijven lege flessen en jerrycans in het water. Meerkoetachtige vogels schieten diep het water in op zoek naar vis. Er valt niet te wachten op het weer aan de oppervlakte komen. Dat doen ze heus wel, maar je vindt ze nooit meer terug. Of ze nu zo láng onder water blijven, of dat ze op een totaal andere plek weer boven komen, ik weet het niet. Mijn studie ernaar was totaal zonder resultaat. Maar het betrof een van die kleine gedachten- en observatiespelletjes die je doet, terwijl je intens zit te genieten van de situatie waarin je verkeert.
We passeren de nodige eilanden en eilandjes, waarop ook weer dorpjes met huizen met golfplaten daken die liggen te schitteren in het gedempte licht.

Onderweg hebben we ook alvast een tijd met Ramadan zitten praten over zijn bedrijvig-heden en de manier waarop hij alles aanpakt. We nemen eens goed met hem door, hoe hij blijvend inzicht kan krijgen en geven in zijn reilen en zeilen. Dat is voor hem belangrijk, maar ook voor ons. 1806 aankomst KijiweniDe laatste paar maanden had hij zijn eigen maandelijkse ‘instalment’ (terugbetaling van de lening) niet gedaan. Ik bedoel dus: zijn eerste lening, voor zijn medisch laboratorium; de lening van Sengerema. Dat werd veroorzaakt door zijn grote drukte met zijn niéuwe lening: die van mijn kleine investeringsclubje, waarmee hij de opening van zijn apotheek zal financieren. We beklemtonen, dat hij toch echt twee bedrijfjes heeft, twee boekhoudingen moet gaan draaien en tegelijkertijd twee leningen moet gaan aflossen. Het is hem allemaal helemaal duidelijk. En ik heb ook écht de indruk dat dat zo is. Hij is absoluut slim genoeg. Desalniette-min ga ik nog even diep in op het verantwoor-delijkheids-besef dat hij blijvend moet hebben: het is geleend geld.

Er is nog wel een probleem, waarvan Ramadan veronderstelt dat het nog in juli zal zijn opgelost: hij moet nog een licentie krijgen om zijn apotheek te openen. Jeroen en ik fronsen wel een beetje bij het realiseren van het feit dat hij wél z’n initiële investeringen al heeft gedaan, doch nog niet open kan vanwege het ontbreken van deze licentie. Hij benadrukt echter, dat hij heus beschikt over alle voorwaardelijke kwalificaties en documenten, doch dat het domweg een ambtelijke molen betreft. Hij beaamt het zelfs wanneer we veronderstel-len, dat e.e.a. te maken heeft met verscherpte regelgeving en toezicht geïnstigeerd door het nieuwe, op corruptiebestrijding gefocuste, Magufuli-regime.
Tja, het is wel zo: het geld is uitgegeven en nu zijn we aan Ramadan overgeleverd. Hij zal ons echter in Kijiweni vrij gemakkelijk overtuigen van zijn inzet en intenties.

We varen na ruim tweeëneenhalf uur om het puntje van het schiereiland heen. Hier zien we grote blokkendozenrotsen, willekeurig in het water gedonderd. Het meer lijkt zo een gigantische vijver met grijswitte sierstenen. Op de rotsen grote groepen aalscholverachtige vogels. En witte reigers.
Het dorpje Kijiweni kende ik dus al: ik was er in februari samen met Maico, bij wie ik toen 2 weken logeerde: Ramadan was een van de door mij geïnterview-de Sengerema-leners. Het dorpje had nogal wat indruk op me gemaakt. Een goed deel van het dorp is domweg op relatief vlakke rotsen gebouwd. Kijiweni betekent ook gewoon ‘veel stenen’.
Als we aanmeren met ons bootje, ook domweg tussen twee rotsen in, zien we deze rotsen helemaal bekleed met de kleine visjes; ze liggen hier te drogen. Steeds meer kinderen omringen ons. Ik maak foto’s, maar meer foto’s worden er, met telefoontjes, ván mij gemaakt. Veel mzungu’s (blanke mensen) komen er niet in dit afgelegen dorp. Het centrale pleintje is een drukte van belang. W.G. van der Hulst had hier ook prachtige ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’-platen kunnen maken: overal is iets gaande. Het is een feest om hier gewoon te gaan zitten observeren.

Dan wandelen we met Ramadan het dorp in. Onwijs leuk om ‘terug te zijn’, alles te herkennen en nóg eens te willen en te kunnen beleven. Het straatje van Ramadan’s laboratorium in. Hij had me enige weken geleden al foto’s laten zien, waarop z’n gevel weer helemaal mooi in de verf: Ramadan Issa Medical Laboratory. Daaronder ook teksten in het Swahili: ‘kom hier voor medische testen en advies’. Daarna lopen we door: een meter of 50 verderop in hetzelfde straatje staat een vrij nieuwe blok van vijf winkeltjes. Hier heeft-ie er eentje van gehuurd voor zijn apotheek. Het is een ruimte van 3 bij 3 of zo. Echt niet meer dan 10 m2. En dan heeft-ie er ook nog een wandje in gezet, zodat er aan de achterzijde een aparte ruimte voor ‘stock’ is ontstaan.
Aan de wanden allemaal kastjes met glazen schuifdeuren en tevens een glazen toonbank/vitrine. Er zijn vier stoelen en daarnaast nog wat andere winkeltoebehoren. Veel geld is gaan zitten in de pui van glas en aluminium, het leggen van de tegels, het verven van de hele winkel. En er is ook een fan. Ramadan laat ons alles zien: zijn hele businessplan, zijn investeringen, zijn beoogde inkopen, zijn veronderstelde marge en winst. Natuurlijk kan hij niet zelf in de winkel staan. Daar heeft hij al een dame voor gevonden en ik krijg zelfs het diploma van deze dame te zien. De huur is op 1 juni gestart en hij is nog niet open, dus dat certificaat moet maar gauw komen.

We trekken nogal wat bekijks. Een steeds grotere groep kinderen omringt ons, staat voor het glas bij het nog lege apotheekwinkeltje te kijken naar ons. Wie zich echter het meest opdringt, dat is een luidruchtige vrouw. Ramadan zegt dat ze zo’n beetje de dorpsgek is. Ik zie inderdaad ook alle kinderen alleen maar om haar lachen. Ze is écht opdringerig. Ze wil per se dat wij voor iets betalen, maar het is onduidelijk wat dat dan moet zijn. Later, als we in een eettentje zitten, komt ze écht te dichtbij, gaat provocatief doen, in haar handen spugen. Toen hebben we haar laten wegsturen. Merkwaardige situatie. Enerzijds voel je je gegeneerd, beetje compassie met zo’n zielig type, anderzijds dringt ook boosheid en ergernis naar voren, waarover je je dan weer een beetje schuldig voelt.
Anyway, we nemen met Ramadan echt álles door. Alles waarop hij moet letten. En ik benadruk, dat ik de communicatie wel redelijk intensief wil houden. We kunnen via Facebook dingen met elkaar, en met de andere sponsors, delen. Maar ik wil ook periodiek de sponsors actief een update sturen, waarin we (Ramadan en ik) laten zien, hoe het met de ontwikkelingen staat. En nogmaals druk ik uit: betaal áltijd je maandelijkse instalment terug! Jeroen zegt: uiteindelijk geeft het natuurlijk niet als het zo nu en dan niet lukt; dan duurt het geheel gewoon vijf in plaats van vier jaren.
Alles telt mee bij de overwegingen, ook ‘wat heb je nodig voor je dagelijkse leven’, wat zijn je particuliere kosten. Ramadan huurt een kamer in het huis van een familie; is-ie erg tevreden over. Hij laat het graag aan ons zien. Dus daar wandelen we ook nog naartoe.
Nog een merkwaardige situatie bij die familie. Hier voedt een vader, met hulp van een ‘maid’, zijn drie kinderen, die alle drie van verschillende moeders komen, die zelf dus de zorg bij vader hebben gelaten. Ramadan zegt dat dat zo vreemd niet is. De moeders komen op zich wel regelmatig langs.
Ramadan is 27 jaar, vrijgezel. Hij is bepaald niet op zoek naar een vrouw of vriendin. Hij wil ook liefst geen meisje in dit dorp. De sociale situatie is niet goed. Er is hier relatief veel sprake van HIV/aids. De jongens/vissers zijn of op het meer of zijn hun verdiende centen aan het wegdrinken (bier). Ze zijn niet betrouwbaar. De meisjes vertonen ook veel onverantwoord gedrag. Ramadan heeft ’t over een meisje dat het met vijf jongens tegelijk houdt. Zo lijkt het aan de ene kant een redelijk idyllisch dorpje hier, maar is er sociaal het een en ander helemaal niet jofel in Kijiweni.

Het wordt ons in ieder geval wel heel duidelijk, dat Ramadan een heel erg serieuze jongen is. Hij straalt rust en een zekere autoriteit uit. Hij zorgt ook goed voor zichzelf, heeft een kek hoedje op. Hij drinkt niet, doet ’s avonds wat physical excercise en ligt om half tien plat. Ik ben heel benieuwd hoe het het komende jaar verder gaat, maar heb er vertrouwen in, dat dit best een mooi en leuk projectje is, die lening voor zijn apotheek.

Uiteindelijk zitten we om vijf uur in een geheel door ons tweeën afgehuurde daladala (public bus, Toyota Hiace’s). Veel auto’s komen hier niet. Eigenlijk komen hier helemaal geen daladala’s. We dingen nog vet af van de prijs en kachelen de zandwegen op. Mooie tocht weer. Na driekwartier kuilen ontwijken komen we bij de doorgaande weg. Ook onverhard, maar wel eentje die vlak is en waar de auto’s makkelijk 70 km kunnen rijden. Ramadan is trouwens wederom met ons meegereden. Dat hoefde helemaal niet van ons, maar wilde dat zelf graag. Het schiet lekker op en als we bij de Kamanga-ferry komen, staat die nét op het punt om af te varen. Er wordt af getoeterd. We rennen de aardig volle boot op, die daarna ook subiet afvaart.

Toen we om 5 uur uit Kijiweni vertrokken, hadden we totaal niet gedacht nog voor het donker hier in ons hotel dichtbij het busstation in Mwanza te zijn. Maar was dus wel zo. Hier op het terras hebben we nog wat EK-voetbal gekeken en een heerlijke tilapia-massala gegeten. Superlekkere vis, fijn Indisch gekruid. De lekkerste maaltijd van de afgelopen 2 weken in Tanzania. En dat voor maar 10.000 TSH (plm. 8 euro), inclusief groenten en frietjes. Jeroen belt nog even met Yvonne (penningmeester Sengerema), van wie we vanmorgen afscheid hebben genomen. Ze heeft inmiddels de Mwanza-Kilimanjaro-vlucht achter de rug en staat op het punt met KLM naar Nederland te vliegen.
Morgenochtend staat de wekker op 5.30 uur! Om 6 uur moeten we op het busstation, aan de overkant van de straat, zijn voor de lange reis (12 uren) naar Dodoma.

 

 

"Maak kennis met John Pombe Magufuli, 'the darling ruler'"

[4 juli 2016]
In de 'Cameroon Concord' stond vorige week dit artikel over Magufuli, de nieuwe Tanzaniaanse president die met zevenmijlslaarzen het bestuur van het land aan het hervormen is.

Meet JOHN POMBE MAGUFULI President of Tanzania, a darling ruler that Most African Countries desire to have as their leader, June 26th 2016

There is disbelief in Tanzania and East Africa in general as new elected President John Pombe Magufuli breaks with the past - introducing policies which a growing base of displeased elites are angrily branding as "arrogance" and a creepy Dictator. However as the First Action leader has been branded with slogans like '' what would Magufuli do?'' he is created a lot of followers and lovers especially on social media who rather find his decisions relevant but hostile and quick. His efforts to sweep out wasteful government spending, root out corruption and discipline lazy public servants seem unfazed. During the period he has sacked dozens of senior public officials for things like refusing receiving government’s salary.

The son of a peasant farmer, John Pombe Magufuli won the election to become Tanzania's next president on his 56th birthday, so it was the perfect gift for him. With the backing of the formidable CCM machinery, Mr Magufuli won the 29 October poll with 58% of the votes to Mr Lowassa's 40% in a fiercely contested election.

As works minister in the outgoing government, he was reputed to be a no-nonsense, resultsdriven politician. The 56-year-old is a former school teacher, industrial chemist and outgoing works minister, Nicknamed "The Bulldozer" A devout Catholic with a corruption-free reputation,Performed push-ups on the campaign trail to prove he was fit,Pledged to end power shortages and exploit Tanzania's natural gas discoveries,

Magufuli was inaugurated on November 5 2015, Just a day after his swearing in, Magufuli made a surprise visit to the Finance Ministry and was shocked to notice that most workers had not reported to work.The President was only beginning to witness inefficiency on an industrial scale. At the finance ministry, Magufuli found literally thousands of requests for foreign travel. For a man who had travelled abroad only six times for the 20 years he had been minister, it was a shocker.In another change of act, Magufuli ordered a ban on foreign travel for ministers and all government officials in order to save costs. All international invitations will be handled by Tanzania's diplomatic missions.

The first Shocker in President Magufuli's trove of surprises was the suspension of the December 9th independence day celebrations and slashed the budget for a state banquet by 70% to mark the official opening of parliament. The president instead decreed that on that day everybody should pick up their tools and clean their backyards. There will always be national cleaning on Independence Day 2015 which has always been celebrated in pomp and style since 1961 when the Tanzania got freedom from the British.

The president went on to order for purchase of beds and restocking Tanzania's biggest public hospital where he made surprise visit only to find patients on the floor and fired the board of the country’s biggest hospital. Many complained of not seeing doctors for days. He ordered to use the Millions of Money that was meant for the independence day celebrations to be used to buy hospital beds and Medicines and refurbish hospitals. They immediately purchased more than 300 beds for critical hospitals and refurbished around 15 hospitals in a period of 2 months. The President reportedly demanded that his presence and that of his prime minister be limited to less than 30mins.

Magufuli reportedly also told parliamentary leaders that the people of Tanzania want him to solve their problems, and not him making Empty speeches. That speeches can not provide infrastructure, or buy hospital medicine or stop corruption but ACTION can.

He also banned Brookside milk collection, a Company owned by the president of Kenya Uhuru Kenyata, and directed that all milk produced must be processed locally. He Blasted Uhuru, and stopped Brookside Dairy from exploiting Tanzanians. He claimed it was not fair for Brookside Dairy Limited to collect milk from Tanzania, process it in Kenya and then sell back to them.

Another shocker came in when Magufuli cancelled this year’s Union Day celebrations, celebrated every April 26. Instead he recommended road construction with the funds that were set aside for the celebrations. The cancelation of two national holidays as cost-cutting measures is Magufuli’s rushed attempt to finally deliver on president Julius Nyerere’s vision of self-reliance, accountability and good governance for his country.

He also issued an order directing all foreigners, with or without work permits, to relinquish their jobs to the Tanzanians.The exercise which is dubbed ‘Oparesheni Timua’ was launched in January and it will see Tanzanian immigration officials carry out door to door workplace raids to hunt ‘foreigners’ doing business in Tanzania. its’ main aim was to reduce the number of visitors doing jobs that can be done by the natives. Those who have been greatly affected by this operation are Kenyan teachers working in private schools in Tanzania. Kenyans On Twitter (KOT) have since retaliated by asking President Uhuru Kenyatta to deport all Tanzanians who are working in the country. Only 680 foreigners have work permits, according to the country's immigration department and only 66 have applied for residence permits. The rest must leave the country with immediate effect.

He fired Edward Hosea, the Director General of the Prevention and Combating of Corruption Bureau (PCCB) as a move towards strengthening the country’s anti-corruption body after years of disappointingly slow responses to corruption. He also chided the judiciary for failing to play its part in the anti-graft war, offering a carrot to those judges who have done their jobs diligently. Addressing a contractors’ registration board meeting in Dar es Salam, President Magufuli declared, “If you see people wondering, it is because they are used to business as usual. They thought I will be part of them. Never! Not me! I better give up the presidency and return to the village than being a President and entertain the rot that is in this country. I am saying never.” If fighting corruption makes Magufuli a mad dictator, Africa needs more mad dictators at the helm.

The claim that fighting corruption affects economic development for whatever reason is fallacious. Economic indications show there is confidence in the administration and Tanzania’s investment climate remains favourable. Any allegations to the contrary are malicious and shallow propaganda. He went ahead and recited a litany of ills he found in government, which necessitate his style, including tax evasion, theft at the Dar es Salaam Port, ghost workers and massive swindling at the National Identification Authority (Nida).

Magufuli ordered a ban on ministries, government departments and agencies (MDAs) holding conferences and other meetings in privately-run establishments., instead, the use of ministries' boardrooms and publicly owned facilities as part of instituting financial discipline and cutting costs of running the government a decision that has already started biting, with hotel owners contemplating their next move.

Magufuli sacked the Minister for Home Affairs, Charles Kitwanga for attending parliament session drunk. Mr Kitwanga was dismissed on Friday night for allegedly being drunk in Parliament. He becomes the first cabinet minister to be sacked by President Magufuli since he formed his new government in December last year. "There are rules and regulations in the public service that prohibit workers from drinking alcohol and getting drunk during working hours. Civil servants must have a clear mind to be able to perform government duties properly," It further pointed out that there was a question, which Mr Kitwanga could not respond to properly because he was staggering and stinking. Magufuli fired him there and then.

Magufuli picks another good fight – this time to cut traffic jams in Dar es Salaam by 80% that has been costing Tanzania According to last 2015 statistics, Dar es Salaam loses nearly $188 million to traffic congestion annually. The plans, the Tanzanian president said, included heavy investments towards the construction of roads and railways in the capital of over 5 million people. Magufuli said the government had already allocated $500 million in the next financial year to upgrade the central railway line to standard gauge.

Although most Tanzanians have been yearning for a ‘tough president’ to fix the country, some leading opposition leaders in the country say the Magufuli administration has already displayed some authoritarian tendencies, pointing to the banning of a weekly tabloid, halting of live television broadcasts of full parliamentary sessions, and demolitions of illegally-built houses countrywide,” the failure to restart the constitutional reform process; and the lingering political crisis in Zanzibar, where the general election was annulled in suspicious circumstances.

Constitutional reforms would solve the controversy over the mainland’s relationship with the semi-autonomous Zanzibar archipelago. They would also promote the drive for good governance and accountability that Magufuli is championing. He is likely to succeed with these reforms if he undertakes them now while he is still popular among Tanzanians.

President John Magufuli has been a darling of ordinary Africans and he has massive support throughout the continent and better yet, in his own Tanzania. He is seen as the saviour of the poor, the one man who has given himself to the fight against the corrupt systems of governance that the continent was now used to. That he comes from CCM, a party not particularly famous for being democratic and prudent in its dealings only makes him more remarkable. This is the party that the Economist called “thuggish and undemocratic” yet Magufuli rises against all odds to become the one man who is pruning the Tanzanian system of destructive elements. It therefore comes as a shocker that he would have to defend himself against the charge of being a mad dictator. In response to these allegations, President Magufuli said, “I have decided that this country will move ahead, and it will move ahead. The measures I’m taking are aimed at saving this country. I’m not a madman or a dictator…there are bizarre things going on in the government which I cannot tolerate…I must take action.”

“To public servants I say again, we must change. There is no short-cut. No one will survive thinking this is a temporary situation. This is permanent. It is permanent and unchangeable. We must continue with the same spirit to bring back Tanzania’s lost prestige. Of recent, many investors have been trooping to the country, which even encouraged me to double my efforts. You voted for me to so that I deliver for you. You did not vote for me so that I join the corrupt club. This is our country. We were born here. We will die here.” Magufuli quoted recently.

Reportage: de bijzondere weg naar welvaart in Tanzania

[18 april 2016]
Op GoTanzania wordt wekelijks over de bijzondere maatschappelijke en politieke ontwikkelingen gepubliceerd. De informatie over deze wekelijkse updates ontvangt GoTanzania rechtstreeks uit Tanzania. De 'GoTanzania-correspondent' volgt als sociaal ondernemer in Tanzania de ontwikkelingen op de voet. In onderstaand artikel brengt hij de ontwikkelingen gedurende het afgelopen half jaar, dus sinds de verkiezingen van oktober 2015, bij elkaar en vertelt over de nieuwe wind die waait over Tanzania.

Tanzania is jarenlang hét lievelingsland van donoren geweest. Er is in vele jaren door vele donoren onmetelijk geïnvesteerd om de ontwikkeling op gang te brengen. Helaas heeft dit weinig opgeleverd en was het land anno 2015 totaal verloren geraakt in een alles verlammende corruptie en afhankelijkheid van donoren.
Hoe bijzonder zijn dan ook de afgelopen 22 weken waarin de nieuw verkozen president John Pombe Magufuli een totale omwenteling teweeg heeft gebracht. Gericht op ontwikkeling door bestrijding van corruptie en het minder afhankelijk maken van ontwikkelingshulp. Sinds november 2015 heeft Magufuli zich al snel de bijnaam “broom” (bezem) aangemeten door zijn anticorruptiebeleid dat binnen korte tijd al veel ten goede veranderde.

Al direct na de verkiezingen waren het niet alleen maar woorden maar ook daden. Anders dan we bij eerdere regimeveranderingen gewend waren. Corrupte ambtenaren zijn ontslagen, snoepreisjes zijn afgeschaft, de geldverslindende “sitting allowances” (betaling voor aanwezigheid in vergaderingen en cursussen) zijn afgeschaft, “spookambtenaren” die al dood waren of niet bestonden of niet op hun werk kwamen zijn ontslagen, er werd een speciaal gerechtshof voor corruptie ingesteld, niet-betaalde belasting werd achterhaald enz. enz. Binnen een maand waren de belastinginkomsten al verdubbeld en waren de overheidskantoren, anders dan daarvoor, van 8:00 tot 17:00 bezet.

Wat is het geval: Tanzania, als ontwikkelingsland, ís helemaal niet arm! Goud, olie, gas, edelstenen, toerisme, vruchtbare landbouwgrond, werkelijk alles is voorhanden. Tot nu toe was het echter zo, dat vooral een corrupte 5%-bovenlaag van de ruim 50 miljoen inwoners het land uitverkocht en het geld doorsluisde naar bankrekeningen in Zwitserland en elders.

Alles wijst er nu dan ook op dat de weg naar welvaart is ingeslagen. Vooralsnog moet de oude corruptie in het zand bijten en kan Magufuli op een breed gedragen steun van de bevolking rekenen. Hoe bijzonder is dat? Laten we er eens wat dieper op in gaan.

Machtscultuur
Van oudsher is men in Afrika in het algemeen en ook in Tanzania gewend om onbetwiste leiders te hebben die een dictatoriale macht hebben en naar believen de vruchten kunnen plukken. Dit had echter wel zijn grenzen. Met koningen die in het verleden niet voor genoeg regen zorgden werd wel afgerekend. Inmiddels zijn koningen en koloniale heersers verdwenen en vervangen door presidenten, maar wat is gebleven, is de vaak in één persoon geconcentreerde macht.
Dat heeft verschillende oorzaken. In de eerste plaats zijn de diverse instituten zoals het rechtssysteem, de rekenkamer - zo die al bestaat - en de banken zwak, waardoor een president alle ruimte heeft om wat dan ook door te drukken. Al is het een wet die een president veroorlooft om meer termijnen aan te blijven of een order om extra geld te drukken, alles is mogelijk. Dat eerste is overigens, opmerkelijk genoeg en in tegenstelling tot de omringende landen, in Tanzania nog niet gebeurd.

In de tweede plaats is er in Tanzania een van nature aanwezige gezagsgetrouwheid aan alles wat een hogere positie heeft of ouder is. Familiebanden zijn enorm sterk. Dat de familiebanden zo sterk zijn in Tanzania is voor mensen van cruciaal belang. De familie is hun enige sociale zekerheid omdat door corruptie de hele veiligheids- en gezondheidsstructuur vooral in de afgelegen gebieden niet of maar half functioneel aanwezig is. Men is op zichzelf aangewezen. Het heeft dus alles te maken met de zwakke instituties.
In landen als Uganda, Rwanda en Zimbabwe is dat minder maar daar wordt de macht afgedwongen. Als je een tegengeluid laat horen, lig je zo “two feet under”. Daar is de macht gebaseerd op angst. In Tanzania is dat absoluut niet het geval. Als je een tegengeluid laat horen word je wel, meestal op een indirecte manier, tegengewerkt, maar fysiek geweld is zeldzaam.

Deze bijna absolute gehoorzaamheid, of door angst, of van nature, zorgt ervoor dat een leider meestal alleen mensen om zich heen heeft die altijd instemmend knikken ook al is zijn idee nog zo dom. Dat moet op zijn minst tot een vreemd wereldbeeld bij zo iemand leiden. Leiders en iedereen die een machtspositie heeft kunnen voorts naar believen mensen koeioneren en dat doen ze dan ook. Bij banken en andere instituten laten ze de klanten uren in de rij staan en ambtenaren en politici kunnen zich uit publieke middelen en door steekpenningen verrijken zonder dat ze daarop aangesproken worden. Fouten van ambtenaren of leiders worden op hun klanten afgewenteld en de ambtenaren zijn nooit aansprakelijk.

Dit soort gedrag wordt nog versterkt door nepotisme waardoor mensen vaak niet de baan hebben om hun kwaliteiten maar door hun relaties of door omkoping. Hierdoor moeten bazen dus op een andere manier dan door hun kennis respect af dwingen.
Dit ongeleide machtsvertoon en gebrek aan aansprakelijkheid wordt ook nog eens makkelijk gemaakt door de sterke familieband. Men zal nooit een (extended) familielid afvallen ook al doet hij of zij iets verkeerd en men weet dat als men iemand (al dan niet terecht) beschuldigt, men zijn of haar hele familie over zich heen zal krijgen. Zolang iedereen om je heen gedienstig is en nooit met een beschuldiging komt of protesteert en je zelfs wat extra toeschuift voor je “diensten” kom je er dus makkelijk mee weg. Ambtenaren die faalden, de boel bestalen of anderszins disfunctioneerden werden tot voor kort hooguit overgeplaatst, zolang ze maar loyaal waren aan de heersende politiek.

Een ander gemeenschappelijk fenomeen van ontwikkelingslanden is de armoede en de laagopgeleide bevolking. Dit maakt dat men meestal kiest voor een kortetermijnoplossing, maar ook makkelijk beslissingen neemt die uiteindelijk ten koste gaan van de mensen zelf. Ook in Tanzania zijn dat soort keuzes aan de orde van de dag.
Dit alles leidt tot een in westerse ogen ietwat vreemd effect dat een president, al dan niet legaal en/of eerlijk gekozen, als hij eenmaal in het zadel zit, kan doen en laten wat hij of zij wil. Tot vorig jaar, bijvoorbeeld, kon de vorige president van Tanzania, Kikwete en zijn familie het land volkomen leegroven, net als Museveni in Uganda. Maar eerder in Zuid-Afrika met Mandela, in Rwanda met Kagame en in Tanzania met Nyerere en nu met Magufuli lijkt dit dus ook tot een positieve verandering te kunnen leiden.

Arabische lente
En zo kan het dus gebeuren dat, hetgeen in andere landen met de Arabische lentes niet is gebeurd of zelfs tot chaos en oorlog heeft geleid, nu in Tanzania wel zijn beslag lijkt te krijgen. Geen revolutie van onderop maar een strak geleide verandering van boven. Dit past ook meer bij de cultuur die er al was. Onmiskenbaar hebben de sociale media daar wel degelijk invloed op, omdat mensen inmiddels ook beter geïnformeerd zijn dan vroeger. Men verkneukelt zich nu bijvoorbeeld massaal over de oude corrupte garde die niet alleen zijn onverdiende geld kwijtraakt maar waarvan het geld ook voor het algemene welzijn wordt ingezet.

Naar het lijkt wordt het bijzondere en goede hiervan internationaal nog nauwelijks onderkend en blijft men steken in het veroordelen van de “oneerlijke” verkiezingen. Wellicht heeft dit ook te maken met de socialistische inslag van de nieuwe president, alhoewel er absoluut geen sprake is van een “beweging”, maar het naar het zich laat aanzien, hoe bijzonder ook, concentreert rond de ideeën en inzet van slechts één persoon. Overigens wordt dit in Tanzania versterkt door de goede herinneringen die men heeft aan de eerste president Nyerere die zich ook ten goede heeft ingezet voor het land en nog steeds de harten van de Tanzanianen op hol laat slaan. Magufuli heeft wel de volle steun van het grootste deel van de bevolking, zelfs de meerderheid van de oppositie schaart zich achter hem.

Verkiezingen
Inmiddels loopt de internationale gemeenschap dus te hoop tegen de oneerlijke verkiezingen in Zanzibar. Alhoewel Zanzibar bij Tanzania hoort, heeft het een aparte status en wordt het geplaagd door een onrealistische hang naar onafhankelijkheid en is de politiek gedomineerd door de islamitisch georiënteerde CUF-partij.
Wat men echter vergeet is dat het democratische meerpartijensysteem in Afrika ooit door het westen is gekatapulteerd en bovendien in een land als Tanzania nog erg jong is. Tanzania werd in 1961 onafhankelijk, maakte aanvankelijk een periode van socialisme met een éénpartijstaat door en nog maar een jaar of 6 geleden kreeg de regerende CCM-partij nog 95% van de stemmen. De laatste verkiezingen in 2015 waren voor westerse begrippen ook onnavolgbaar. De westerse monitoren waren vooral opgetogen dat de verkiezingen vreedzaam verliepen en dat iedereen kon stemmen, maar ze vergaten te kijken naar hoé er geteld werd. Het is de vraag of zo’n democratisch systeem voor een land als Tanzania ook wel het meest geschikt is.

Laten we de laatste verkiezingen eens nader onder de loep nemen. De keuze was tussen de regerende CCM-partij met Magufuli of de oppositie met de Chadema-partij en Lowasa. Deze Lowasa had eerder het kandidaatschap voor het presidentschap binnen de CCM verloren van Magufuli en is toen overgestapt naar de oppositie. Hoe opportunistisch kun je zijn, als presidentskandidaat, maar ook als oppositiepartij! Wat ook opvalt is dat de programma’s van de diverse partijen nauwelijks verschilden. Er is niet zoiets als progressief en conservatief; het gaat meer om poppetjes en relaties. Alhoewel de Chadema-oppositie dus juist beweerde te staan voor corruptiebestrijding koos deze de met corruptie besmette leider in de persoon van Lowasa en had de met corruptie besmette CCM-partij ineens een integere, smetvrije kandidaat in de persoon van Magufuli. Naar verluid kwam Magufuli bovendrijven, niet omdat hij nu dé sterke man was, maar als compromis omdat men het binnen de CCM niet eens kon worden over wie nu presidentskandidaat zou moeten worden. Hoe gek kan het lopen!

Bij de verkiezingen werd vervolgens, net als bij eerdere verkiezingen, door de CCM geen enkel middel geschuwd om te winnen. Alle ambtenaren werden ingezet voor de CCM-partij, de oppositie mocht niet bij de telling aanwezig zijn en de computers van het schaduw-telbureau van de oppositie werden een dag voor de verkiezingen in beslag genomen. Het wekt dus geen verbazing dat de CCM met een ruime meerderheid (zo’n 60%) won. Wat echter, wellicht ook voor de CCM zelf, verassend was, was hoe Magufuli zich na de verkiezingen als een duveltje uit een doosje of een paard van Troje tot een echte - en niet alleen in woorden - corruptiebestrijder en socialist met een echt hart voor de bevolking ontpopte.

Nadat zich tegelijkertijd in Zanzibar een meerderheid voor de CUF-partij aftekende werden de verkiezingen daar ongeldig verklaard en een paar maanden later herhaald, waarbij de CUF zich om begrijpelijke redenen terugtrok en de CCM een 94% meerderheid behaalde.
Beide verkiezingen, op het vasteland en op Zanzibar, verliepen dus niet fraai, maar de resultaten zijn een zegen voor Tanzania en dat mag door de internationale gemeenschap best wat meer gewaardeerd worden. Zeker als de keuze gaat tussen eerlijke verkiezingen van corrupte leiders of de nu oneerlijke verkiezingen van de min of meer per ongeluk “gekozen” integere Magufuli. Vergeet ook niet dat zich tijdens het hele verkiezingsproces nergens ernstige ongeregeldheden hebben voorgedaan. Dat is in een land als Kenia weleens anders geweest.

Last but not least moeten de westerse landen zich bedenken dat ze in het verleden dictaturen hebben ondersteund met aanzienlijk minder goede redenen, dus waarom nu ineens zo principieel?

Shoot out
Sommige mensen vrezen nu voor het leven van de nieuwbakken president Magufuli, immers met zijn voortvarendheid heeft hij machtige vijanden gemaakt. Aan de andere kant zou dat ook weleens mee kunnen vallen. Magufuli kan rekenen op de steun van een brede laag van de bevolking, zelfs van de mensen die op de oppositie hebben gestemd. Bovendien doet in Tanzania iedereen alles om geweld te vermijden, zelfs de vorige president die het land massaal beroofd heeft en wat algemeen bekend was, is geen strobreed in de weg gelegd en heeft nooit met een aanslag op zijn leven te maken gehad. Ook de corrupte bende is niet echt een syndicaat maar meer een verzameling opportunisten die net zo makkelijk elkaar beroven en het lijkt niet waarschijnlijk dat zij zullen samenzweren om hun inmiddels blootgelegde boevenactiviteiten onder het oog van de nu beter wetende massa voort te zetten.

Hoe nu verder?
Vooralsnog lijkt er aan de drive en de maatregelen van Magufuli geen einde te komen, eerdere beloftes blijken, met alle ‘hickups’ van dien, ook daadwerkelijk waargemaakt te worden. Parlementsleden en andere hotemetoten die eerder werden beschuldigd van corruptie zitten nu daadwerkelijk fysiek in het beklaagdenbankje.
De eerstvolgende uitdaging zal zijn om de mensen die nu nog in de regerende partij rondlopen en die het land eerder hebben uitgedragen aan de paal te nagelen of op zijn minst uit te schakelen. Een van die mensen is de voormalige president Kikwete, die zich voornamelijk via zijn familie schandelijk verrijkt heeft. Gezien de Tanzaniaanse gewoonte om niet de confrontatie aan te gaan maar alles via de mantel der liefde te bedekken is het niet ondenkbaar dat Kikwete en zijn maatjes ermee weg komen, maar uiteindelijk toch geen politieke macht meer krijgen. Je ziet deze mensen zich dan ook in alle bochten wringen om, in elk geval verbaal, de politiek van Magufuli te ondersteunen.

Kortom, als we als lichtend voorbeeld naar Rwanda kijken dat in een paar jaar tijd is opgeklommen naar een goede 55e plaats op de corruptielijst (van de 160, nummer 1 is het minst corrupt) en een voor een Afrikaans land ongekende welvaart kent. Alle kans dat Tanzania, nu nog op plaats 116 van dezelfde lijst, in een paar jaar tijd ook tot een van de welvarendste landen in Afrika gaat behoren! Magufuli verdient daarvoor alle steun, vanuit het binnenland, maar ook internationaal. Als de zaken dan op orde zijn kunnen we het nog eens over democratie en eerlijke verkiezingen hebben.

Tanzania, 15 april 2016
NB: de GoTanzania-correspondent prefereert het om anoniem te schrijven.

Nieuwe regering in Tanzania – echte verandering of oude wijn in nieuwe zakken?

De wereld heeft het nauwelijks in de gaten, maar Tanzania is al een half jaar in rep en roer. Begin november trad de nieuwe president aan en hij lijkt vastbesloten om eindelijk ook Tanzania tot ontwikkeling te willen brengen. ‘Donor darling’ Tanzania heeft zich decennialang laten kenmerken door machtsmisbruik, corruptie en maatschappelijke en economische inertie. Daarin lijkt nu flink verandering te komen.

Verkiezingen in Tanzania vinden traditioneel plaats op de 4e zondag van oktober, iedere vijf jaar. President Kikwete kon, bij de laatste verkiezingen in oktober 2015, niet meer herkozen worden: hij had er twee termijnen op zitten. Een situatie als in buurlanden Burundi en Rwanda, waar de leiders van het land er alles aan doen om hun eigen dynastie te vestigen, geldt niet voor Tanzania. Daar heeft Kikwete ook niet echt de statuur voor; er is geen sprake van zulk persoonlijk leiderschap. Tanzania laat zich eerder kenmerken door een goed beschermd ‘old boys network’. Misschien borgt dat structurele corruptie nog gemakkelijker dan gepersonaliseerde pseudodictatuur. Want dat is wel het hardste kenmerk van het bestuur van het zo vreedzame land Tanzania: de corruptie is immanent.
Maar voor iedereen onverwacht is de nieuwe president , John Pombe Magufuli, een totaal andere weg ingeslagen met zijn anticorruptie programma. Het is spannend in Tanzania. Er zijn ook veel tegenkrachten: de nieuwe president komt gewoon van CCM, de regeringspartij sinds jaar en dag. Bovendien blijft Kikwete vooralsnog ook gewoon partijvoorzitter en zit het hele ‘old boys network’ nog in het zadel.
Toch komen er vanuit Tanzania prachtige verhalen, het laatste half jaar, die zicht bieden op échte ‘verandering’. Verhalen waar de wereld verder helaas nauwelijks notie van neemt.

Al op de eerste dag van zijn presidentschap bracht Magufuli een onaangekondigd bezoek aan het  ministerie van Financiën. En plein public is hij daar ambtenaren gaan uitfoeteren. Dat was niet zo moeilijk: een paar eenvoudige vragen stellen was voldoende: deze ambtenaren waren al járen hun eigen corruptiepraktijken aan het uitmelken. Magufuli begon er alvast mee ambtenaren te ontslaan die zonder reden niet op hun werk aanwezig waren. Al gauw kreeg Magufuli z’n bijnaam: ‘The Bulldozer’. Inmiddels zijn al flink wat topambtenaren ontslagen.
Naast voortvarendheid is hij zich ook blijven voorstaan op soberheid. Hij ging demonstratief mee naar buiten om zelf ook de straten te vegen. En bij grote feesten schafte hij de bestedingen van overheidsgelden aan de festiviteiten af. En zelfs de overheidskerstkaartjes. Overheidsfunctionarissen moeten gewoon economy class vliegen en alleen als het strikt nodig is.
Het kabinet is ook flink geslonken: nog maar 19 ministers. Dat waren er bij de vorige regering nog  bijna twee keer zoveel. Efficiëntie – een woord dat eigenlijk helemaal niet bestond in Tanzania – moet leidend worden.

Enerzijds zet Magufuli in op de ‘big changes’, zoals vrij onderwijs, aanpak van stroperij in de wildparken, illegale export van ivoor en neushoorn-hoorns, bestrijding van (drugs)criminaliteit, megacorruptie bij import en douane. Anderzijds laat zijn benadering zich ook kenmerken door de symboolwerking van specifieke acties. Zoals het ontslaan van een chirurg, betrapt op het alleen een operatie willen uitvoeren als de patiënt extra bijbetaalt. Of districtsambtenaren die enorme kostenoverschrijdingen – geld is natuurlijk gewoon in de eigen zak gegaan – achteraf moeten verantwoorden. Dat wordt ontslag en strafvervolging. Vorige maand werd bekend dat veel bij de politie aangegeven verkrachtingen niet geregistreerd waren. Ook hier corrupte politiepraktijken. Het ministerie van onderwijs heeft medewerkers ontslagen die zelf clandestien 2 miljoen schoolboeken in omloop brachten en zo hun portemonnee spekten. Rijkelui met grote sommen geld op buitenlandse banken worden aangepakt; onderzoeksresultaten worden bij de overheid aangeleverd voor ‘verdere actie’.
En zo wordt de lijst met acties dagelijks aangevuld. Op Twitter is de hashtag #WhatwouldMagufulido populair geworden: Tanzanianen filosoferen over manieren waarop Magufuli verder kan besparen op overheidsuitgaven (lees: bestrijden van misbruik en corruptie).

Magufuli is nu een half jaar bezig en boekt flinke resultaten. Naar verluid zijn de belastinginkomsten enorm aan het stijgen. Een nieuw maatschappelijk elan manifesteert zich. Naast de nodige verwarring, want hoe ‘echt’ is dit nu allemaal? Ook in het verleden was de ‘nieuwe president’ gedurende z’n eerste regeerjaar z’n populariteit aan het grondvesten met grote plannen. Plannen waar uiteindelijk niet veel van terecht kwam. De kracht van het ‘old boys network’ kan zich ook nu laten gelden. Voormalige president Kikwete is – dat is in Tanzania algemeen bekend – gepokt en gemazeld in het corrupte systeem. Kikwete komt uit Bagamoyo, een uurtje rijden vanaf Dar es Salaam. Hij bezit daar wat grote hotels. In deze hotels werd veel vergaderd door overheidsfunctionarissen uit grote stad Dar es Salaam. Bagamoyo ligt net buiten de ‘zone’, waardoor alle functionarissen, vergaderend in Bagamoyo, de zogenaamde ‘sitting allowances’ op konden strijken. Dat is een toelage die iedereen kreeg voor ‘aanwezigheid’. De gemiddelde ambtenaar kon altijd zijn salaris flink opkrikken met deze aanwezigheidstoelagen. Magufuli heeft ze afgeschaft. Van de ene op de andere dag.
Kikwete’s eigen spaarpot valt dus uit z’n handen. Hoe dat achter de schermen van de regering en bij de regeringspartij CCM zelf heeft uitgepakt, dat weet de wereld nog niet. Kikwete, die ook nog een issue heeft met zijn zoon, die betrokken is bij China-gerelateerde stroperij en drugshandel, blijft vooralsnog partijvoorzitter. Magufuli blijft afhankelijk van zijn netwerk. Hoe ver kan hij gaan, ze tegen de haren in te strijken?

Anderzijds geldt ook, dat de decennialang heersende klasse zich bewust moet zijn geworden van de maatschappelijke krachten om Tanzania open te gooien. Het volk is nog steeds straatarm, maar emancipeert zich langzaam aan ook met internet en telefoon. Misschien is het de meest tactische zet die je als ‘old boys network’ maar kon plaatsen. Ook al is uiteindelijk iedereen beter af: minder corruptie, eindelijk wat vooruitgang en toch blijven de machthebbers feitelijk dezelfde.

De kritische volgers zoeken nu een nieuwe positie. Prachtig dat het onderwijs gratis is geworden, maar hoe gaat Magufuli aan de kwaliteit ervan werken? Prachtig dat er nu ook veel gasinkomsten gaan komen (er wordt steeds meer gevonden), maar hoe verhoudt zich dat tot mondiale ontwikkelingen richting meer duurzame energiebronnen? En natuurlijk: prachtig, die anticorruptiepraktijken, maar wie pakt nu de écht bobo’s van het verleden aan?

Niko Winkel, 5 april 2016

GoTanzania op zoek naar het vrijwilligerswerk-aanbod in Moshi

[16 januari 2016]
Tien dagen in Moshi, tien verschillende NGO’s opgezocht, die in en om Moshi vrijwilligers willen ontvangen om bij allerhande projecten mee te werken. Waar zijn wij naar op zoek? Onze agenda is open: hoe ziet het eruit? Wat voor mensen draaien deze projecten? Hoe zoeken ze naar vrijwilligers? In hoeverre houden ze rekening met de voorwaardelijkheden, waarvan wíj vinden, dat ze er rekening mee moeten houden? Loopt het goed, loopt het minder goed? Wat voor vrijwilligers zijn het die ze werven? Zijn de vrijwilligers essentieel voor ze, of zijn ze louter ‘voor erbij’? En zo zijn er nog meer vragen. Vragen die we ons tevoren stelden, maar ook vragen die rijzen als je zo op pad bent.

We – ik ben op pad met Reinier Vriend, mijn bestuurscollega bij de Stichting Volunteer Correct -vonden onze vaste stek in het centrum van de stad. Haria Hotel. Nota bene gevonden, nog toen ik thuis was, omdat dit hotel ook een nevenactiviteit is van een NGO, die hier armoede en ontwikkelingsachterstand te lijf gaat. Het is het beste stekje, dat we ons wensen konden: een heerlijk ‘roof top’-terras, altijd koude biertjes in de koelkast (hard nodig: het is heet hier!) en iedere morgen een heerlijke omelet als ontbijt. Upendo, Anna en de andere dames verwelkomen ons iedere morgen. Meest ben ik kort na zeven uur al op het terras. Dan is het er nog een béétje fris.

Op visite bij elke organisatie vertellen we natuurlijk ook ons eigen verhaal. In de meeste gevallen is dan louter lof ons deel: ze vinden het geweldig, wat wij beogen, uiteindelijk. Ook al putten wij uit in gedisclaim: we zijn eerst alleen nog maar aan het verkennen. Wat voor organisatie stuurt jullie dan? Nou ja, geen enkele dus; wij komen gewoon zélf. We zouden wellicht later ook concreet projecten kunnen ondernemen, maar zover zijn we nog niet.
Iedereen blijft enthousiast. Álle organisaties maken veel tijd voor ons vrij. Meermaals zijn we een halve dag meegenomen naar projecten een uur buiten de stad. Community projecten in relatief ver afgelegen arme dorpen. De organisatoren werken veelal vanuit Moshi zelf. Zij lijken ons meestal tot de lokale ‘upper class’ te behoren.

Modellen
We krijgen ook zicht op de ‘modellen’. Er is meestal sprake van een combi van een projecten-NGO met een safaribedrijfje ofwel een (ook voor toeristen-) ho(s)tel, dat vaak ook gewoon ‘vrijwilligershuis’ wordt genoemd. De aard van de samenwerking hangt veelal af van de origine: was er eerst een safaribedrijfje, dan zijn de projecten eerder opgezet als marketingstrategie: toeristen zijn extra genegen met zo’n bedrijf in zee te gaan: ze doen ook iets goéds. En de rijke toerist, hij sponsort zijn geweten schoon. Het kan aldus een schijnvertoninkje zijn. Bij het Afrishare-initiatief lijkt deze situatie misschien wel van toepassing, ook al verdient deze organisatie op basis van het bezoek en interview dat wij met baas Ibrahim hadden, absoluut nog geen vingerwijzing. Daarvoor zouden we toch nóg dieper de specifieke projecten in moeten duiken. Bij meerdere organisaties zaten de woordvoerders nog niét op het spoor van kritiek op de weeshuistoestanden. Bij andere organisaties werd daarover al begonnen, vóórdat wij het aanroerden. Jawel, ook hier zijn genoeg mensen die de weeshuiswildgroei verfoeien.

Beter is het wanneer het andersom is ontstaan: eerst een project en daarna de speurtocht naar fondsen. Zo zit ’t bijvoorbeeld bij Haria Hotel zelf. De Australische ‘founder’ van Team Vista, dat een kleuterschool draait, bijna 300 primary school-kinderen van schooltenues en -boeken en tevens van schoolgeld voorziet en dat ook nog eens een community-bank organiseert, heeft Haria Hotel sinds nog maar één jaar in eigen beheer. Alle winst van het hotel en het restaurant gaat naar Team Vista! Hostel Hoff, Born to Learn, Foot2Afrika, TATU en Kilimanjaro Young Girls in Need (KYGN): ze leveren ons allemaal verrassende verhalen op, met overeenkomsten, rode draden om geleidelijk beter te gaan herkennen, maar ook met grote verschillen. En ook ontwaren we lijntjes tussen deze organisaties. Born to Learn blijkt opgezet door ex-vrijwilligers van Hostel Hoff; KYGN werft vrijwilligers via Hostel Hoff; de oprichter van TATU was ook betrokken bij de opzet van Born to Learn. Anna van KYGN laat ons haar ‘safe house’ zien. Dat ziet zij als het antwoord op het weeshuis-issue. Met het safe house-concept mikt ze nadrukkelijk op tijdelijke opvang. Als thuissituaties genormaliseerd zijn, dan moeten alle kinderen terug naar huis kunnen.

Scholen bouwen
Er is voor ons ook veel om weer wat meer van te willen weten. Zo hoor ik van Ally, de manager van Haria, die overdag ook altijd even op pad is, om door Team Vista ondersteunde gehandicapte kinderen naar school te brengen, dat er een stuk land is gekocht in het dorp Newlands, 15 kilometer zuidelijk van Moshi. Eerst worden er nog uien geoogst, maar op termijn moet hier een school gebouwd worden. We hebben vorige week bij Born to Learn vernomen, dat zij juist daar, in Newlands dus, een nieuwe school hebben opgeleverd. Hoe zit dat nu precies? Bij Afrishare vernemen we, dat ze weten dat Foot2Afrika niet meer zou bestaan. Maar laten wij daar nu net de dag tevoren op bezoek geweest zijn. Toch past het verhaal wel: veel van onze vraagtekens worden zo van meer verklaring voorzien: er is een sprake van een doorstart, maar met andere staff. Foot2Afrika moet eens een belangrijke speler zijn geweest; nu doet het zijn best te overleven. Meermaals zien we heel aantrekkelijke vrijwilligershostels, waar bijna niemand verkeert. O, wat zouden ze graag willen, dat we ons in Nederland voor hen zouden inzetten voor de werving van vrijwilligers!
Ik geloof dat we er beide wel uit zijn, dat het TATU-project ons het meest enthousiast maakt. Dat project heeft echt een heel dorp in projecten ‘geadopteerd’. En wat vooral zo aanspreekt, dat is dat het een echt ‘project’ is: het is helemaal gericht op het uiteindelijk weer aan de lokale gemeenschap overdragen van de in gang gezette ontwikkelingen. Hier is per definitie ook geen sprake van ‘unskilled volunteerism’.

Om de informatie een beetje langs één latje te kunnen halen, heb ik een formuliertje opgemaakt. ’s Avonds vul ik het formulier voor elke organisatie in. Dit is een goed handvat voor de volgende fase, als we echt kunnen gaan bekijken, wat we hiermee nu kunnen. In deze volgende fase hebben we natuurlijk véél meer informatie nodig over alle projecten. Transparantie blijft ons sleutelbegrip!

Netwerken
Tien dagen netwerken heeft heel wat contacten opgeleverd. Enerzijds hebben wij nu bekende gezichten voor de mensen hier; anderzijds hebben wij zicht op wat de projectontwikkelaars hier nu allemaal doen. Er zijn er uiteindelijk nog veel meer te vinden in Moshi en omstreken. Wat ons in ieder geval duidelijk is: er is veel behoefte aan inzet van vrijwilligers. Het zal eerder een struggle worden, om de vrijwilligers te vinden. Niet dat er niet genoeg zijn, maar de internetmarketing van de grote voluntourism-ondernemingen is niet gemakkelijk te bevechten. Bovendien is dit land bestuurlijk en politiek ook in een ‘state of change’. Veel betrokkenen zijn best een beetje bang dat de regering in zijn drang om corruptie te bestrijden de mogelijkheden voor vrijwilligers aanscherpt, als antwoord op misbruikpraktijken in het verleden.

Komende week nog wat aanvullende ervaringen opdoen in Arusha. Daarover, en daarna over de wat intensievere betrokkenheid bij een viertal projecten in Mwanza, later meer op dit platform.

Niko Winkel , 16 januari 2016

Einde aan corruptie overheid in Tanzania?

[25 november 2015]
Elke vijf jaar op de laatste zondag van oktober: verkiezingen in Tanzania. De zittende president, Kikwete, kan niet worden herkozen, want hij heeft zijn 2e termijn er al op zitten. De oppositiepartijen trekken de campagnejas genaamd ‘verandering!’ weer aan. Niet zo vreemd, want juist dít zijn de momenten, waarop de 50 miljoen Tanzanianen een sprankje hoop op een nieuwe regering kunnen koesteren. Een regering die eindelijk eens de verkankerde bestuursmoraal aanpakt, iets aan de in alle instituties woekerende corruptie doet.

President Magafuli tijdens zijn inaugurele redeLees je nu terug hoe het in 2005 en in 2010 ging, dan vind je veel informatie, die ruimte geeft voor een mismoedige blik naar de nabije toekomst: altijd sprake van beloftes gericht op het aanpakken van machtsmisbruik, nepotisme, verkapte censuur en misleiding van de internationale donors. Maar altijd bleek het hemd nader dan de rok. “Ik ga iedereen ontslaan, die zich aan corruptie schuldig heeft gemaakt, en nieuwe functionarissen aannemen”, zo zei Kikwete in 2006 nadat hij zijn eerste verkiezingen gewonnen. Zelfs buitenlandse media waren eerder benauwd voor het onrealistische gehalte van zijn beloften, dan dat ze vreesden dat het wérkelijk holle kreten waren. Holle kreten waren het: onder Kikwete rees de corruptie finaal de pan uit.

In 2010 was er zomaar een online corruptie-speursysteem op internet, waarop alle omkoopschandalen verzameld werden. Ik lees in een artikel uit 2012, dat het zo’n beetje de populairste website van Tanzania was. Vreemd genoeg bestaat de website nu helemaal niet meer. Wel nog een Facebookpagina, waar het laatste bericht bijna 4 jaar oud is. Zou ook hiervoor gelden, dat er enige druk is uitgeoefend?

De Tanzanianen zijn er apetrots op, dat ze met zoveel volkeren in één land zo vreedzaam samenleven. Ze zijn heus allemaal tegen corruptie, doch lijken ook de ‘menselijke natuur’ te respecteren: als je hogerop wilt, dan moet je ook niet bang zijn flexibel met spelregels om te gaan. Doe je dat niet, dan leg je het toch altijd af tegen ‘de rest’. Vaak sprak ik mensen aan, afgelopen zomer, in Tanzania reizend: op wie ga je stemmen? En waarom? Ze benadrukten allen glimlachend, dat ze op de ‘minst slechte’ zouden gaan stemmen. Vertrouwen doen ze niemand. Op dat moment was nog niet duidelijk, wie namens de leidende partij de kandidaat zou worden. Hoewel ze heel goed wisten, dat deze partij, CCM, de corruptie welig hadden laten tieren, hoorde ik velen van de zelfverklaarde corruptiehaters vertellen, dat ze toch weer CCM zouden stemmen. Een belangrijk argument: ach, we hebben hier geen oorlog, en daar zijn we heel blij om.

Maar er is iets gebeurd. Althans, zo lijkt het. Zelfs sceptische toeschouwers zijn nu ineens écht verwachtingsvol: Magafuli, de nieuwe president, lijkt werkelijk het zieke bestuursklimaat aan te gaan pakken. Hij bracht tijdens de eerste maand van zijn bewind al verrassingsbezoeken aan een ziekenhuis, het ministerie van financiën, de belastingdienst en enige andere overheidsinstanties en legde eigenhandig de misstanden bloot. Bijvoorbeeld door de niet-aanwezige ambtenaren (zonder specifieke reden, en dat is heel normaal) stante pede te ontslaan! Hoge ambtenaren maken extreme kosten met het maken van vliegreizen van vergadering naar vergadering (waar ze ook nog ‘sitting allowance’ krijgen: betaling alleen voor het aanwezig zijn): de nieuwe president schaft tal van dit soort luxe potjes voor overheidsdienaren af. Hij belooft nu ook het volk, dat het basis- én vervolgonderwijs écht gratis zullen gaan worden.

Vorige week hield Magafuli zijn inaugurele speech in het parlement. Hij was anderhalf uur zeer bevlogen aan het woord. “I will fight corruption without fear or favour. I will personally lead the charge… pray for me and support me in this war because those involved are not the ordinary nwananchi (burgers).” Magafuli belooft een klein en efficiënt kabinet samen te stellen, vraagt alle parlementariërs (bijna zonder uitzondering gepokt en gemazeld in de corruptiecultuur) hem te helpen. Jawel, je hart springt open. Zou het dan eindelijk?

Hoop doet leven en het minste dat Magafuli verdient is het voordeel van de twijfel. Misschien ziet hij, dat Tanzania in internationaal perspectief economisch en maatschappelijk achterblijft op de potentiële groei. Het is immers eigenlijk een steenrijk land, met heel veel natuurlijke hulpbronnen en een bijna niet te overtreffen arsenaal aan toeristische highlights. Daar profiteert het volk nauwelijks van. Misschien voorvoelt hij, dat uiteindelijk de macht de kaasstolp moet lichten. Maar hoe was het ook alweer 10 jaar geleden? In hoeverre verschillen de woorden van Magafuli met die van Kikwete toentertijd? De eerste stappen zijn hoopvol maar de tijd zal leren of het beklijft.

Het mooiste zou zijn, als over een paar jaar duidelijk wordt, dat Magafuli een geweldige stunt heeft uitgehaald; als een ‘under cover’-revolutionair zich met engelengeduld in de politieke slangenkuil heeft begeven totdat hij genoeg ‘credibility’ had opgebouwd om voor het presidentschap te kunnen gaan, direct vanuit het grote machtsblok. En toen, toen hij eenmaal met campagnevoeren kon beginnen, heeft hij zijn cover eraf gegooid: “en nu naar genuine change!”. Het establishment krabt zich achter de oren: we hebben wat over het hoofd gezien?!

Niko Winkel / GoTanzania, 25 november 2015
(m.m.v. Herman Erdsieck, MamboViewPoint, Mambo, Tanzania)

= = = = 

Lees ook dit artikel van een Tanzaniaanse nieuwssite:

Message from All About Arusha:

"Tanzania now has a president !!!!

AND YOU BELIEVE WHAT TANZANIA's NEWLY ELECTED PRESIDENT MAGUFULI IS UPTO???? UPDATES FROM TANZANIA POST ELECTION ACTIVITIES

Last weekend they were opening parliament and there was a state dinner planned for all guests that was going to cost about 300 m. President Magufuli cut the budget to 25 m and ordered that the rest be taken to buy hospital beds for Muhimbili they got 300 beds and mattresses and 600 bed sheets from that money.

On 23rd Nov 2015 he announced that there will be no official ceremonies for Independence Day on 9th December, the money is to be used for more pressing issues and the day should instead be spent cleaning up our environment.

On Saturday 21st Nov 2015 a group of 50 people were about to set off for a tour of commonwealth countries (don’t know for what) but President Magufuli cut that list down to 4 people, saving government 600 m in tickets, accommodation and per diems No more foreign travel, embassies will take care; if it’s necessary to go, special permission must be sought from him or Chief Secretary

No more 1st class and business class travel for all officials except President, Vice, and Prime Minister.

No more workshops and seminars in expensive hotels when their so many ministry board rooms available. President Magufuli asked how come engineers are given V 8s when a pick-up is more suitable for their jobs.

No more sitting allowances, how the hell are you paid allowance for a job which you have a monthly salary; that also applies to MP’s. President Magufuli has literally pressed the reset button; returning Tanzania to default factory settings, because that was the TZ Nyerere left us with.

On the day after he was brought to power, in the morning as State House officials were showing him round he decided to take a walk to ministry of finance, told them to get their act together, asked why some employees weren’t in office (ever since then the traffic jam in mornings has become worse) and ordered TRA to scrap all tax exemptions, everyone must pay taxes especially the big guys

President Magufuli went to Muhimbili Hospital unannounced and walked thru the worst parts that they keep hiding from important visitors he fired the director, fired the hospital board and ordered that all machines that weren’t working (so that people go to private hospitals owned by some doctors) to be repaired within 2 weeks otherwise he fires even the new director; the machines were repaired in 3 days Finally, last week when going to officially open parliament

President Magufuli didn’t go by plane, drove the whole 600 km from Dar to Dodoma. President Magufuli has reduced the size of the presidential convoy, even reduced the size of presidential delegation that travels with him President Magufuli chose a Prime Minister we haven’t heard of before, a guy with reputation for hard work and no corruption all the big guys we expected could be PM have been let wondering what hit them.

His motto is: Hapa Kazi Tu = "HERE, ALL WE DO IS WORK/ SERVE!"

After President Magufuli visited Ministry of finance and Muhimbili Hospital without announcing it is said the port (most corrupt, delaying, thieving officials) were all of a sudden the most efficient place. No loads are missing, things are done quickly and that habit of forcing for a bribe so that your container is released is no more.

Oh, they say when he was confirmed as winner people started congratulating him and wanting to bring gifts to his place he turned them back, saying he will receive all congrats over the phone, nobody should visit himb All individuals/firms that bought state companies that were privatized but haven’t done anything (20 yrs later) are to either revive the industries immediately or hand them back to the government.

 

Cornel Ngaleku Children Centre (CNCC), kwetsbare (wees)kinderen onder de hoede van de Ursulinen-zusters

[24 augustus 2015]
Een heel ander perspectief op vrijwilligerswerk met kinderen. Het concept ‘voluntourism’ is hier in ieder geval niet uitgevonden. Een Tanziaans kindercentrum in een omgeving die je contemplatief kunt noemen. Met mensen om je heen voor wie de grote vaart der volkeren niet zo belangrijk is; voor wie vooruitgang slechts betekent, dat je het lot van de mensen, om wie je geeft en wie je verzorgt, helpt te verbeteren. Verwachtingenmanagement is wel een sleutelonderwerp, richting de aanstaande vrijwilliger. Ngaleku-kindercentrum biedt een warme, ruimtelijke, eerlijke en zinvolle leef- en werkomgeving voor vrijwilligers, die zich tenminste twee maanden willen committeren. En de organisatie zit trouwens zelf ook niet te wachten op de fun-volunteer.

Als je naar beneden kijkt, dan zie je in een diepe vlakte Kenia. De grens is maar een goeie kilometer hiervandaan. De andere kant geeft zicht op het Kilimanjaro-massief; we zitten op de onderste hellingen ervan. De Kilimanjaro is totaal anders vanaf deze oostelijke kant. Toen we hier aankwamen, was er van de hoger gelegen berg niks te zien; allemaal wolken. Maar om een uur of zes werd het helderder en herkende ik direct de getande top van de Mawenzi. Dat is de oostelijke van de drie dode vulkanen, waaruit het massief bestaat. De hoogste is de Uhuru Peak, 5895 meter hoog. De Mawenzi is de op Uhuru Peak en Mount Kenya na hoogste plek van Afrika: 5149 meter. Achter Mawenzi is Uhuru Peak wel te zien, maar lang niet zo spectaculair als vanuit het westen en zuiden.

We zijn vanaf Moshi, ten zuiden van de Kilimanjaro met een Noah-minibusje hier naartoe gereden. Dat was nog wel twee uren langs de hellingen van de majestueuze berg. Een heel groen, vruchtbaar land. Veel bos, veel bananen; af en toe zicht op verre vlaktes in Kenia. Bij een klein gehucht, genaamd Leto, vlakbij Usseri in het Rombo district, zorgen dertien Tanzaniaanse zusters van de Ursulinen-orde voor de kinderen in het CNCC.
Het CNCC is opgericht door de zoon van Cornel Ngaleku, Michael Shirima. Hij is de oprichter en baas van Precision Air, een kleine luchtvaartmaatschappij. Hij heeft het geërfde land van zijn vader gebruikt voor het bouwen van dit kindercentrum. Korte tijd later kregen Olga en Pieter de Haas uit Zeeland contact met Michael Shirima, waarna zij met hem zijn gaan samenwerken om het kindercentrum verder op te zetten. Ze zijn de eerste jaren hier heel veel en lang geweest en komen nu nog steeds elke (Nederlandse) winter hier drie maanden naartoe. Zuster Ritha, de hoofdzuster, vertelde dat ze op 14 januari weer zullen komen.

Het opvangen van de kinderen van het kindercentrum valt onder de verantwoordelijkheid van de zusters. Er wordt bij aanmelding geen onderscheid gemaakt betreffende geloof.
We werden na aankomst met de bus in het marktplaatsje Usseri opgewacht door zuster Ritha en zuster Juditha en hun chauffeur in de eigen pickup-auto van Ngaleku. Nadat we aankwamen bij het kindercentrum en het vrijwilligershuis toegewezen kregen, heeft ze ons het hele centrum laten zien. De slaapzalen voor de zusters en die voor de kinderen, de speelruimte, de keukens, de kantoortjes en ook heel uitgebreid de boerderij op het erf, met koeien, varkens, kippen, geiten en kalkoenen. De tuinen zijn prachtig en uitgebreid, met bananen, mango’s, zonnebloemen en heel veel groente. Ook zien we de apparatuur om zonnebloemolie te winnen en om mais te malen, voor de “ugali”. Het kindercentrum voorziet voor een groot deel in haar eigen voedselbehoefte. Op gezette tijden hoor je de nonnen in de kapel zingen met elkaar.

We zijn nog even het terrein afgelopen en hebben in het eigen winkeltje van Ngaleku nog wat versnaperingen voor onszelf gekocht. Op een ander deel van het terrein verrijzen momenteel vier nieuwe gebouwen: Ngaleku bouwt een lodge, genaamd Maktau Mountain View Lodge, met vier aparte huizen, voor toeristen en bezoekers van het kindercentrum. Zelfs een zwembad is in de planning. Ook een prima uitvalsbasis voor Kilimanjaro-bergbeklimmers. De inkomsten vanuit de lodge zijn bestemd voor de ondersteuning van de kinderen in het kindercentrum.

We hebben gevraagd of we met de zusters konden mee-eten. Het vrijwilligersverblijf heeft een eigen keuken en de vrijwilligers koken doorgaans voor zichzelf. Wij waren daar echter niet op voorbereid voor onze enige avond hier, dus fijn dat we mochten mee-eten.
Later zaten we dus met alle zusters aan een lange tafel, als eregasten. Zelf aten ze uit de grote pan met gebakken banaan en rundvlees. Voor ons was er rijst met kippenvlees en groente. Overigens was er begin augustus slechts één vrijwilliger, een meisje uit Arusha. Vrijwilligers komen vaak uit Nederland, vanwege juist ook de betrokkenheid van Olga en Pieter de Haas en hun ondersteunende stichting in Nederland (met ook een eigen website).

Het vrijwilligershuisje is een fijne plek. Een eigen huiskamer, ruime keuken, apart sanitair met een warme douche, en drie slaapkamers. En een heerlijke veranda om te verpozen, met uitzicht op de tuin en de kapel. ’s Morgens vroeg hoor je het devote zingen van de zusters in de kapel. Ik vergeleek het onwillekeurig met de gebedsaankondigingen vanuit de moskees in Tanzania en (hoewel zelf totaal niet christelijk) bedacht ik me: wat klinkt dít een stuk fijner op de vroege morgen!

Even later bezochten we de kinderen van het Ngaleku-kindercentrum. Het kindercentrum vangt kinderen op in de leeftijd van nul tot zeven jaar, die niet kunnen worden opgevangen door ouders en/of familieleden. In de meeste gevallen zijn het weeskinderen. De ervaring leert dat de meeste kinderen ook na hun zevende jaar afhankelijk blijven van de zorg van het CNCC.
Ze kregen een soort van dunne maispap voor ’t ontbijt. De zusters zijn streng doch lief. We verbazen ons er over dat de kinderen erg gedwee en voorlijk zijn. Kinderen lopen hier al als ze 9 maanden zijn. Kom daar eens om in Holland. En je ziet hier heus geen kinderen ouder dan anderhalf die nog een luier dragen. Zuster Ritha moet later ook hartelijk lachen als we vertellen over de verwende Hollandse kindjes.
De kindertjes hangen een tijdje om onze schouders. Ik laat het me allemaal welgevallen en neem indrukken in me op. Er liggen twee baby’s, helemaal ingepakt, naar ons te lachen. Ze zijn beiden net vorige week gekomen. Zuster Ritha vertelt ons over de nogal hartverscheurende achtergrond.

Er is nog wel wat te bespiegelen over specifieke factoren, die bij deze organisatie horen en die een rol spelen bij overwegingen en verwachtingspatronen van aanstaande vrijwilligers, die op zoek zijn naar een kindgericht project om een bijdrage aan te leveren.
Je zit hier op een terrein met katholieke zusters; er is geen specifiek werelds avontuur te beleven (tenzij je de bus pakt en er meerdere dagen voor uittrekt) en last but not least: wat is de taak van de vrijwilliger die met de kinderen gaat werken? Er zijn 13 Ursulinen-zusters aan het werk met 31 pre-school-kinderen (nursery school en jonger). Tevens is er een aantal kinderen, dat naar een plaatselijke basisschool gaat. Ook die vragen extra zorg. Daarnaast is er nog een aantal kinderen dat in de schoolvakanties vanuit de kostscholen weer terug komt in het CNCC.
Heel duidelijk is wel, dat dit in al z’n hoedanigheden een prachtig kinderproject is. Dit is geen verzonnen zorg; verloren kinderen krijgen hier nieuwe kansen. Voor mensen die op zoek zijn naar contemplatie is dit ook een prima omgeving. Deze organisatie biedt weer een mooie extra dimensie aan mijn inventarisatie van persoonlijke observaties en ervaringen over met vrijwilligers werkende organisaties in Tanzania.

Thuisgekomen in Nederland heb ik uitgebreid contact gehad met Olga de Haas, waarbij natuurlijk specifieke aandacht voor de positie van de vrijwilligers. Olga benadrukt dat het vrijwilligers wordt aangeraden om met z’n tweeën of drieën te komen, aangezien het anders toch misschien wat eenzaam is. Belangrijk is het ook om je ervaringen en verhalen met elkaar te kunnen delen. Ik kan me daar veel bij voorstellen.
Verder benadrukt Olga de toegevoegde waarde die vrijwilligers hebben ten opzichte van de zorg van de Ursulinen zusters. Deze zusters zijn weliswaar ‘professioneel’ met kinderen aan het werk, doch zowel vanuit de eigen cultuur als vanuit de eigen levensoriëntatie als non, is er sprake van een wat minder klemtoon individuele en creatieve aandacht. De aandacht van vrijwilligers uit het westen is hier een heel zinvolle aanvulling. Dit betreft ,met klem, een aanvulling: de zorg van de zusters is op zich afdoende en de organisatie is niét afhankelijk van vrijwilligers.

Verantwoording ethiek (correct vrijwilligerswerk) en kosten
Het Cornel Ngaleku Children Centre (CNCC) werkt graag met vrijwilligers en heeft tot nu toe ook goede ervaringen met vrijwilligers. Het heeft als uitgangspunt dat vrijwilligers zich minimaal 2 maanden willen verbinden aan het CNCC. Liever nog langer, aangezien de gewenningsperiode van beide kanten enige tijd in beslag neemt, zeker als de vrijwilliger voor het eerst in aanraking komt met Tanzania en de Tanzaniaanse cultuur.
Het bijzondere aan het Ngaleku Children Centre is dat het een echt Tanzaniaans centrum is, geïnitieerd door een Tanzaniaanse familie. Zij financieren de dagelijkse kosten van het centrum. De verzorging van de kinderen is in handen van de zusters van de Ursulinen Orde, met wie eigenaar en oprichter van het CNCC, Mr. Michael Shirima, een contract heeft gesloten. Daarnaast werken er mensen in de (moes)tuin, werkplaats, keuken, wasserij, school, garage, kiosk en de veestallen. Dit zijn allen Tanzanianen, sommigen wonen intern, anderen in de buurt van het centrum.
In 2005 is de Nederlandse Stichting CNCC opgericht. Deze stichting financiert extra projecten in en rond het centrum. Voorbeelden van deze projecten zijn: speeltoestellen, garage, werkplaats, community hall, generator, veestallen en moestuin, regenwateropvang en onderwijs. Naast deze direct aan het centrum verbonden projecten, zijn er ook projecten voor de lokale bevolking opgezet, zoals een watervoorziening. Nu dit alles gerealiseerd is, richt de Nederlandse stichting zich voornamelijk op de financiering van de schoolopleiding van de kinderen (lagere school en verder).

Kosten
Het CNCC is een charitatieve instelling en is voor het grootste gedeelte afhankelijk van donoren uit Tanzania, Nederland, Australië, Amerika en andere landen. Aangezien ook in Tanzania alles alleen maar duurder wordt, is er vanaf 2012 besloten om 5 USD per dag van de vrijwilliger te vragen voor het gebruikmaken van de vrijwilligersaccommodatie. De maaltijden zijn ook voor eigen rekening. Internet is aanwezig via het gebruik van een stick, verkrijgbaar in de stad en oplaadbaar via de telefoon.

Voor de kosten kun je bij elkaar dus rekenen op ongeveer 10 euro per dag, voor verblijf en eten/drinken.
Overigens geldt wel, dat je het zo duur kunt maken als je wilt als je ook wilt doneren aan specifieke projecten , waarvoor de organisatie van geldschieters afhankelijk is.

Online: 
Website Cornel Ngaleku Children Centre
Website Nederlandse stichting NCCC 
Specifieke informatie voor vrijwilligers (PDF) 
Informatie over de Ursulinen Orde 

NJW, 24 augustus 2015 

Sarakasi ya Vijana – jonge acrobaten bij de Muskietenrivier

[12 augustus 2015]
Sarakasi ya Vijana. Zo heet het project dat vanuit Nederland door de stichting Twiga wordt ondersteund. Sarakasi ya vijana betekent ‘jonge acrobaten’. Of, iets poëtischer: acrobatiek van de jeugd. Ik heb al vaak gemerkt dat in woorden in Swahili vaak de Engelse achtergrond nog te herkennen is, dus ik heb nog steeds het idee dat ‘sarakasi’ wel van ‘circus’ zal afstammen, maar zeker weten doe ik dat niet. Het gaat in ieder geval wel over kinderen. Kinderen in Mto wa Mbu, een stadje van zo’n 30.000 inwoners in de buurt van de beroemde Ngorongroro-krater in Noord-Tanzania. Mto wa Mbu betekent Muskietenrivier. Het gaat over kinderen die heel weinig vaste grond onder de voeten hadden en die nu via vallen en opstaan het leven leren leven, de acrobaten van de jeugd kunnen worden. Dankzij Sarakasi ya Vijana en Twiga.

Aan de wieg van dit project staat Machteld Speets. Zij is in 2004 met dit project begonnen. Een jaar of vijf geleden is het huidige complex gebouwd, zo’n drie kilometer vanaf het dorp aan het einde van een lange zandweg. De locatie is prachtig, in het bos vol met velvet monkey’s en overvliegende maraboe’s, en een paar honderd meter verderop is de spectaculaire savanne, met verspreide koeienkuddes met Maasai-cowboys en uitzicht naar Lake Manyara, waar je in de verte de flamingo’s ziet. Het nationaal park Lake Manyara ligt vlakbij. Mto wa Mbu is ruraal, maar het is ook een overslag- en overblijfplaats voor safari-toerisme. Een gezellig en druk dorp op een spectaculaire locatie, tegen de Rift Vally-helling aan, zomaar 500 meter loodrecht omhoog.
De website van Twiga vertelt echt álles over het project, over de doelen en de missie, over de staf en over de kinderen, over hoe vooral vanuit Nederland intensief aan fondsenwerving wordt gedaan, over hoe het totáál op vrijwillige inzet is gebaseerd. En ook veel nieuwsberichten van en over de enthousiaste mensen die zich voor Sarakasi ya Vijana inzetten. Dat geeft mij de ruimte om me in dit verhaal te kunnen beperken tot mijn eigen ervaringen: eind juli bracht ik drie dagen door bij Sarakasi ya Vijana.

Toen we aankwamen was er net ceremonieel afscheid genomen, met de kinderen die naar de nursery school (3 tot 6 jaar) gaan en hier dus overdag zijn, van twee vrijwilligers én van de voorzitter van de Twiga-stichting, gevestigd in Nederland. De volgende morgen zijn ze vertrokken. Het was voor mij een mooi toeval, ook de voorzitter, Anne Marie van Lanen, nog te spreken. Ze is vanaf de start voorzitter, maar ze was nu zelf voor het eerst in Tanzania. Zo kon ze ‘in the flesh’ het functioneringsgesprek met Elvera houden, die hier nu al een klein jaar, als vrijwilliger, het project coördineert. Elvera had al aangegeven, dat ze graag nóg een jaar blijft. De voorzitter heeft net twee weken zelf kunnen ervaren, hoe goed het loopt met het project en ze is dan ook heel erg blij dat Elvera langer wil blijven. Elvera wordt terzijde gestaan door Mieke, die er ook al sinds mei is en ook vorig jaar al een half jaar hier is geweest. Dat lijkt zo’n beetje een rode draad, zo merk ik geleidelijk: weinig mensen komen hier maar één keer. Sharon, een Vlaamse die ook de volgende morgen zal vertrekken, heeft nu voor de 3e zomer achterheen haar hele zomervakantie hier doorgebracht. Kun je je voorstellen dat je al jaren voorzitter van een stichting bent die een project in Tanzania faciliteert en dat je dan eindelijk het resultaat ziet! Anne Marie is helemaal blij.

Het is een kleine en hechte gemeenschap hier, bij Sarakasi ya Vijana. Aan het einde van de drie kilometer stoffige zandweg sta je voor het hek en doet één van de Masaai-jongens, die hier als bewakers werken, het grote hek open. Rechts staat een bibliotheekgebouw, waar ook vergaderd wordt. Links verderop, achter het speelveld met twee voetbaldoelen, staat het grote gebouw met een hoog puntdak, waarin de keuken, de drie klaslokalen van de nursery school, speel- en vermaak-ruimte, onder de veranda de grote eettafel. Daartegenover de ‘buitenschool’: een mooi half-open gebouw, waar de kinderen vaak verkeren en ook les krijgen.
Daarachter tot slot een gebouw met kantoor en ook verblijfsruimte voor vrijwilligers. Aan die kant is er ook een soort van poortgebouwtje met een rieten dak en daarachter kom je op een apart deel van het erf, waar drie schilderachtige ronde banda’s staan: ronde, rietgedekte gebouwtjes met een eigen veranda. Dat zijn de huisjes voor de ‘gasten’. Niet dat het project zo nadrukkelijk adverteert als ‘lodge’, maar het gebeurt toch ook wel vaak, dat mensen ‘op bezoek’ komen en dat brengt zelfs ook nog wat centen in het laatje. Wij kregen dus ook zo’n banda. Een absoluut prachtig plekje om te verblijven. Voor ons waren het drie nachten, maar ook als je dit als uitvalsbasis gebruikt om de wildparken in de buurt te bezoeken: beter kun je het eigenlijk niet hebben!

We ontmoeten de Masaai-jongens en de ‘mama’s die voor het huishouden voor het eten zorgen. Zo stellen ze zich ook voor: Mama Carolina, Mama Flora. De namen zijn dan dus de namen van hun kinderen; hun eigen naam wordt niet meer gebruikt. En de drie onderwijzeressen. En William, de maatschappelijk werker van Sarakasi ya Vijana.
Ik heb al snel in de gaten dat Elvera en Mieke de touwtjes stevig in handen hebben en begrijp de blijdschap van Anne Marie.
Het belang daarvan begint na een dagje ook tot me door te dringen. Wat deze organisatie enerzijds heel bijzonder en anderzijds heel ‘gevoelig’ maakt, dat is dat hier geen sprake is van een “baas/manager” die altijd blijft: het drijft volledig op vrijwilligers. Het is dus geen sinecure om hier de continuïteit op de juiste wijze te borgen. De begeleidende organisatie in Nederland is dan ook zéér actief, enerzijds op het terrein van de fondsenwerving, maar anderzijds ook op het terrein van het ‘organiseren op afstand’ van de praktijk op de Tanzaniaanse werkvloer.
Machteld Speets, die de organisatie ‘heeft neergezet’ – zij is hier tien jaar geweest – is sinds vier jaar weer terug in Nederland. Ze is nog steeds bestuurslid. Daarna zijn er achtereenvolgens enige coördinatoren geweest, die zich ook lang hebben gecommitteerd en nu is Elvera er dus en zij blijft nog tot juli 2016. Een mogelijke verlenging voor haar behoort tot de mogelijkheden. Het gaat goed met Sarakasi ya Vijana.

De andere kant van de ontwikkeling betreft de kinderen. Op de website van Twiga kun je over alle kinderen informatie vinden. Twiga ondersteunt zo’n 75 kinderen, waarvan het merendeel zonder Sarakasi niet naar school zou kunnen gaan, gedurende de gehele schoolloopbaan en de later studie totdat ze (in het ideale geval) een beroepsdiploma hebben. De ondersteuning geschiedt op verschillende manieren, bijvoorbeeld de schoolfees, de uniformen, bijles, boarding fees, begeleiding van ouders, reiskosten, etc.

Het project is kleinschalig – het gaat niet over hele grote aantallen – en dat wil het ook blijven. De kracht zit ook juist in het persoonlijke, het intieme. De ‘groei’ van Sarakasi zal dan ook vooral zitten in de aanwas van kleine kinderen en het feit, dat er op wordt voorzien, dat de kinderen kunnen en zullen worden ondersteund tot ze echt de volwassenen zijn, die de juiste maatschappelijke bijdrage zélf kunnen gaan leveren, gebruik makend van het onderwijs dat ze hebben gehad. Of dit nu een mooi ambacht is of zelfs de universiteit. Zo komen uiteindelijk de ‘grote kosten’ niet alleen neer op de projectorganisatie die je ziet als je bij Sarakasi ya Vijana bent, want hier is alleen de pre-school (kinderen van 3 tot 6 jaar), aangevuld met de basisschool kinderen die op zaterdagen komen en tijdens vakantie, waarbij dan éxtra onderwijs wordt gegeven, het gaat ook om kosten voor scholing en boarding van de grotere kinderen op andere plaatsen. De oudste student is momenteel 25 jaar. Vorig jaar is de eerste student afgestudeerd als accountant, dat is groots gevierd. Hij is een goed voorbeeld voor de leerlingen die na hem komen.

Als het gaat om de ‘mzungu’s’ (de blanken) bij Sarakasi ya Vijana, dan is de voertaal hier gewoon Nederlands. Twiga heeft de website ook deels in het Engels opgesteld, maar de hele fondsenwerving en het ondersteuningsnetwerk is vooral Nederlands. Deze vrijwillige staf eet driemaal daags met elkaar aan de lange tafel onder de veranda. De saamhorigheid is groot en er wordt ook (vond ik érg fijn) een klein beetje afstand genomen van het redelijk eenzijdig Tanzaniaanse voedsel. Zo zaten we eind juli eens heerlijk aan de hutspot met gehaktballen!

In Mto wa Mbu rijden veel bajaji’s rond (tuktuk’s). Met zo’n bajaji rijd je zo het stadje in. Aan de wandel is ook heel erg leuk trouwens; kost een uurtje, maar er gebeurt altijd van alles om je heen. In Afrika heb je altijd gezelschap.
Het project ligt aan de rand van de savanne. Zelfs als je de savanne op loopt, met een overweldigende wijdsheid, is er gezelschap: de Masaai-herders kunnen je van alles vertellen, of ze nu Engels spreken of alleen Swahili of hun eigen taal. De bewakers gaan elke dag een paar keer met de honden uit wandelen over de savanne. Ik vond het heerlijk om mee te wandelen. De fietsen bij Sarakasi ya Vijana, waarmee je in een kwartiertje in het stadje bent, brengen je naar de lokale terrasjes en winkeltjes. Ietsje verderop in het dorp staat een hoge boom. De kruin hangt over de weg heen. Hoog in de boom zijn wel een tiental nesten van maraboe’s aanwezig. Deze vogels zijn wel twee keer groter dan ooievaars. Spectaculair om te zien hoe ze aan komen vliegen met grote takken in hun snavel om het nest te bouwen.

Tijdens ons verblijf van drie dagen werd er door enthousiaste vrijwilligers aan meerdere projecten gewerkt. Cees, net gepensioneerd, was bezig met de verbetering van de watervoorziening vanuit de ‘watertoren’ (stellage met 1000-liter tank erop), waarbij de elementen met de verwarmingsbuisjes, voor een warme douche in de banda’s, beter op een zonniger plek werden gepositioneerd. Tevens was hij samen met Cynthia, die hier met haar man en zijn twee zoons was, bezig met het vleermuisverwijderproject. Vleermuizen hadden de bibliotheek gevonden, door openingen in het golfplaten dak. Dat was niet houdbaar, allemaal ontlasting in het gebouw en op de boeken. Cynthia’s man en zijn zoons waren grote sleuven aan het graven voor de waterleiding en de twee jongens werkten samen met Maarten, uit België, aan een verbeterde ‘stove’ (een buiten ‘fornuis’, een kookplaats met houtblokken). De vrouw van Cees was bezig met een evaluatie van enige leermethoden van de onderwijzeressen. Sharon en Jill, uit Winterswijk, deden vooral sport- en spel met de kinderen, altijd aanvullend op het werk van de lokale leerkrachten.
Dit is echt een organisatie waar ‘altijd genoeg te doen is’, maar waar je wel even vooraf een goeie ‘fit’ moet zoeken: wat kan en wil ik zelf en waar is behoefte aan? Dat wordt vooraf met a.s. vrijwilligers besproken.. Mogelijke werkzaamheden worden in samenspraak met elkaar afgestemd. Alle werkzaamheden zijn erop gericht om samen te werken met ‘the locals’. Twiga zorgt voor flinke lokale werkgelegenheid in Mto wa Mbu.
Machteld Speets vertelt op de website: “Mijn drijfveer om dit project te doen is om anderen te helpen met onderwijs zodat ze daarna zelf een goede baan kunnen krijgen en verantwoordelijke mensen (ook voor het milieu) worden. Dat is het mooie aan Mto wa Mbu, de combinatie van natuur en mensen. Ik geloof dat je dit werk vooral moet doen omdat je het leuk vindt: een wijs soort egoïsme. Het is mooi meegenomen dat het ook nog eens anderen helpt. Dat geldt voor mij, maar ook voor de vrijwilligers. Ik hou van de boeddhistische levensinsteek, je bent verantwoordelijk voor je eigen geluk. In mijn oogpunt help je daar de wereld het meeste mee.”
Precies zo heb ik Sarakasi ya Vijana ervaren tijdens mijn driedaagse bezoek. Ontzettend fijn dat Mto wa Mbu aan één van de grote verbindingswegen in Tanzania ligt, heel goed bereikbaar, want ik kan me niet voorstellen, dat ik er één van de komende jaren niet nog eens naartoe ga.

Verantwoording ethiek (correct vrijwilligerswerk) en kosten
NB: deze informatie rechtstreekts van de website van Twiga – ondergetekende steekt er zijn handen voor in het vuur: het klopt voor 100%.
• Het is een kleinschalig en overzichtelijk project. Inkomsten bestaan onder andere uit giften van sponsors en donateurs en in toenemende mate worden deze vanuit onze eigen lodge gegenereerd waar vrijwilligers en ook anderen betalen voor hun verblijf. De inkomsten worden direct aangewend ten behoeve van de kinderen. De projectcoördinator voert zijn/haar werkzaamheden uit voor slechts kost en inwoning. Er blijft niets aan de strijkstok hangen.
• De kinderen wonen thuis voor zover ze een thuis hebben. Dat betekent dat een aantal kinderen bij hun oma, een oom of in een gastgezin wonen. Hun verzorgers worden nauw bij ons project betrokken door middel van werkzaamheden op het centrum en het bijwonen van de maandelijkse vergaderingen. Van de verzorgers wordt een kleine bijdrage verwacht, geldelijk of in natura. Niets is voor niets. Verzorgers kunnen kleine leningen krijgen waardoor ze een bestaansminimum kunnen opbouwen.
• De stichting heeft goede banden met de Tanzaniaanse overheid op lokaal, districts- en regionaal niveau. Het kindercentrum heeft een adviserend comité waarin verschillende mensen vertegenwoordigd zijn als een leerling, een ouder, de voorzitter uit de buurt en een invloedrijk persoon in Mto wa Mbu. Dit comité geeft advies over de dagelijkse gang van zaken van het kindercentrum.
• Westerse vrijwilligers en lokale mensen komen op een positieve manier met elkaar in contact en leren van elkaars cultuur.
• Het project ligt naast Lake Manyara National Park wat het erg bijzonder maakt voor de bezoekers en vrijwilligers. Met het park naast de deur leren we de kinderen over het belang van behoud van flora & fauna.
• De kinderen krijgen naast de basisvoorzieningen en school, les in acrobatiek, traditionele dans, zang, theater en lifeskills.

Kosten
Voor je verblijf in het project vragen we je een vergoeding voor kost en inwoning: je verblijft in een banda en je krijgt 3 maaltijden per dag, klaargemaakt door de mama’s. Op zondag kook je zelf. Je kleding wordt gewassen en het huis wordt schoongemaakt. Als vervoer zijn fietsen beschikbaar. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de periode die je bij ons verblijft (bij kort verblijf 150 euro per week). Daarnaast zijn er nog éénmalig kosten voor een werkvergunning in Tanzania (ongeveer 220 dollar) en administratiekosten (50 euro). Hiermee zijn alle dagelijkse kosten voor je verblijf gedekt. Uitjes en reizen zijn uiteraard voor eigen rekening.

NJW, 11 augustus 2015

DINKA: de verwezenlijkte droom van Kimberly en Eriq

[6 augustus 2015]
Kimberly Zandvliet heeft na haar opleiding Sociale Pedagogiek een jaar als vrijwilligster in weeshuizen in de buurt van Arusha, Noord-Tanzania, gewerkt. De ervaringen uit die periode brachten haar de droom om zélf een school op te richten. In Tanzania ontmoette ze Eriq, afkomstig uit Tanzania, maar met als achtergrond een studie journalistiek in Nederland. Samen hebben ze de droom verwezenlijkt: in 2013 is de school geopend. Eind juli heeft GoTanzania de school, een half uurtje rijden vanaf het centrum van Arusha, bezocht.

Arusha is een drukke stad, maar ook hier geldt: rijd je tien minuten de Old Moshi Road af, dan houdt het asfalt op en ben je weer helemaal in ruraal Afrika. Het is een mooi groen, vruchtbaar en zelfs enigszins ‘intiem’ landschap. Kleine akkertjes, verspreide huisjes, boerderijtjes, grote bomen.
En daar is dan ineens het zicht op een verzameling splinternieuwe gebouwen met mooi felgroene stalen daken. We wachten even voor een groot hek, totdat het door de bewakers opengedaan wordt en wij zelfs officiële bandjes om de nek krijgen met een ‘visitor’-pasje eraan. Dat is het eerste blijk van de degelijkheid en professionaliteit van wat we hier gaan zien. Eigenschappen die op een bijzondere wijze contrasteren met de verschijning van Kimberly. Kimberley kan nog steeds doorgaan voor een standaard weeshuisvrijwilliger (jong, blond, ontvankelijke oogopslag); zo’n beetje de hoedanigheid die ze acht jaar geleden had, toen ze hier in Tanzania kwam.

We zien op zo’n vijftig meter van de plek waar onze chauffeur zijn auto parkeert vandaan de 60 kinderen al in het gelid staan. Rood en blauwzwart zijn hun pakjes en jurkjes. Drie rijen dik van groot naar klein. En ze zingen al. “Welcome to our school, you are welcome to our school”, ze zongen meerdere uitgebreide liederen in koor over hun eigen school. Kimberly vertelde later dat het nieuwgemaakte liedjes zijn en dat ze het geweldig vond, dat ze ze al zo goed zongen. Hoewel er juist, puur toeval, drie uren later ook visite, ook uit Nederland, zal gaan komen, krijgen ze hier niet zo vaak visite: ongeveer één keer per kwartaal.

Ook het lerarenkorps stelt zich aan ons voor. Net als de school zien zij er zeer verzorgd uit. Ook de tuinpartijen rondom de school: het is allemaal groen en besproeid. Echt bijzonder: het lijkt wel alsof hier hele goeie sponsoring achter zit.
Tijdens het gesprek dat we eerst in een groot lokaal hebben, met zoete thee, vernemen we over de ontwikkelgeschiedenis van DINKA, dat staat voor ‘Dutch Initiative Kimberly Africa’. Kimberly heeft als 19-jarige een keer de mazzel gehad, dat er een Wassenaarse zakenman op haar wervingsadvertentie in de Wassenaarse krant had gereageerd. Hij doneerde 2000 euro en een 20 ft. container en Kimberly vulde er de hele container met spullen mee. Later ging ze ook op een industrieterrein de bedrijven langs en kwam zo, viavia en bij toeval, uit bij nog een goeie funding-relatie: de voorzitter dan de ‘Run for Rio’-stichting, die jaarlijks geld binnenhaalt met een run door de duinen en verschillende andere jaarlijks terugkerende activiteiten, waarvan de opbrengst dan weer soms door Wilde Ganzen wordt verdubbeld.
Nog steeds gaat Kimberly elk jaar een paar weken naar Nederland om her en der praatjes te houden en sponsors te interesseren voor haar project.

Het is bijna ongelooflijk om te zien, wat voor fantastisch complex er is opgezet. DINKA heeft nu zo’n 60 kinderen. Er zitten kinderen bij van ouders die betalen, ze krijgen hier natuurlijk veel beter (en in het Engels) onderwijs dan op de public schools, maar de meerderheid komt uit de buurt of uit weeshuizen. Deze betalen dus niets. DINKA bouwt de school jaarlijks geleidelijk uit naar ‘een jaartje ouder’ door de automatische doorstroom. Nog een tweetal nieuwe gebouwen staan in de planning.

Later wandelen we met z’n vieren, ook met Eriq, Kimberly’s echtgenoot (hij heeft 8 jaar in Nederland gestudeerd en spreekt perfect Nederlands; ze heeft hem evenwel hier in Tanzania, ná zijn Nederlandse periode, leren kennen; ze hebben een dochtertje en de tweede is in aantocht) over het hele terrein. Alle lokalen zijn supergroot en ontzettend netjes en schoon. Op dit moment zijn er twee gymnasiasten uit Breukelen. Er is een relatie met die school, waarvan vaker leerlingen voor een korte periode komen om samen met kinderen creatieve projecten te doen. Verder zijn er nu geen vrijwilligers. Ze zou graag nieuwe vrijwilligers verwelkomen. Er is altijd wel ruimte voor drie tot vijf vrijwilligers, afhankelijk van de wensen en de expertise.

Ook de vrijwilligersruimte zien we. Het is echt een prima plekje hier. Op de website had ik al gelezen, hoe Kimberly de vrijwilligers screent. Je schrijft je eigen aanbevelingsbrief; vertelt zelf wat je wilt kunnen brengen op de school, wat voor ontwikkel- en leerdoel je zelf hebt, dan kijkt Kimberly of er een match is met een zinvolle besteding van je energie bij de Dinka-school. Met klem: inzet die niét ter vervanging is van de expertise van de lokale leerkrachten. 

Terugkomend op het bijzondere contrast tussen de verschijning van Kimberly en de professionaliteit van de organisatie: ik tref hier een bijzondere, enigszins charismatische persoonlijkheid. Het zijn bijzondere mensen, die zulke grote stoute schoenen aantrekken, over zoveel doorzettingskracht en ‘drive’ en enthousiasme beschikken, dat ze hun leven zo naar een totale andere, nieuwe, onbekende wereld kunnen buigen.

Verantwoording ethiek (correct vrijwilligerswerk) en kosten
Kimberly benadrukt dat vrijwilligers die hun bijdrage komen leveren aan de DINKA-school alleen betalen voor hun kosten.
Kosten: €500 per maand, voor accommodatie (schoon en gezellig), drie maaltijden per dag en regelmatig vervoer naar Arusha.
Doel en missie van DINKA: op de website beschrijft DINKA dit bondig en duidelijk:
“Het doel van Stichting Dinka is om beter onderwijs te bieden aan kinderen van alle afkomsten. Wij richten ons speciaal op de straatkinderen, weeskinderen en kinderen uit arme gezinnen uit de sloppenwijken en van het platteland. Om ook hen een bredere en geschoolde toekomst te bieden. De school zal opvang bieden aan kinderen die dit nodig hebben. Wij functioneren als een boarding basisschool (internaat). Wij zullen dus geen weeshuis zijn en altijd proberen kinderen te herenigen met hun familie of geboorteplaats.
In Tanzania hebben Kimberly en Eriq gezien hoe het er aan toe gaat op de overheidsscholen. Zij vinden dat kinderen recht hebben op beter onderwijs en dus een betere toekomst. Zij willen graag een bijdrage leveren aan de opbouw en ontwikkeling van Tanzania door middel van in eerste instantie een basisschool en opvang te realiseren. Vervolgens kunnen de kinderen doorstromen naar de later te bouwen middelbare school. Leerlingen zullen na het behalen van hun middelbare diploma een cursus volgen om uiteindelijk zelfstandig te kunnen functioneren in de Tanzaniaanse maatschappij. De doelstelling voor de langere termijn is om kinderen die het in zich hebben een vervolgstudie te laten volgen. Door middel van persoonlijke sponsoring kunnen leerlingen een voortgezette opleiding volgen in Tanzania.
Kinderen zullen zich veilig kunnen voelen op de Dinka school en zullen later inzien hoe belangrijk onderwijs is en hoe leuk het is om dingen te leren.”

Stichting DINKA in de GoTanzania-database

The Olive Branch - Verslag van een correcte vrijwilliger

The Olive Branch for Children, 22 juni – 8 juli 2015

Ruim twee weken in Uyole, vlakbij Mbeya, in het verre zuidwesten van Tanzania, voelen aan als minimaal een maand. Ik heb gemerkt dat het toch vooral de opeenstapeling van gebeurtenissen en nieuwe indrukken is, die de tijd sneller laat gaan, voor je gevoel. Maar laat hier geen aanbeveling om langzaam te leven uit doorklinken. Misschien is het wel zo, dat mijn onrustige temperament mij liever tot meer verschillende, korte en hevige, dan lange en diepe ervaringen drijft. Hoeveel diepte kan ik aan, in the end? The Olive Branch for Children bracht me wel zo diep als ik gaan kan.

Deborah McCracken groeide op in Toronto in een welgestelde familie. Papa was een corporate lawyer. Op haar vijfde had ze haar eigen paard. Ze ging naar de beste scholen en ‘lived the easy life’. Na een prestigieuze universiteit te hebben doorlopen, vertrok ze naar Afrika. Ze vertelde me dat een eerste bewustzijnsdoorbraak plaatsvond, toen ze 16 was en in een luxe uitwisselingsprogramma zat in Durban, Zuid-Afrika. Ze zag de townships en voor het eerst drong het tot er door, dat ze alle luxe in haar leven altijd maar ‘for granted’ had genomen.
Aldus: naar Afrika op haar 23e.

Ze is twee jaar niet terug naar Canada geweest. Toen ze ruim een jaar weg was, liet ze haar ouders weten: “I’m not coming back. I’m not gonna live in Canada anymore.” Daar schrokken ze wel van. Maar Deborah had toen haar plannen al: ik ga hier een eigen organisatie opzetten en ik heb ook jullie steun nodig. Zo is The Olive Branch for Children ontstaan. Nee, ze was niet verliefd geworden op een Tanzaniaan (dat kwam pas een jaar of zeven later), dus dit veel voorkomende scenario gold voor Deborah niet. Wel de drang om hier haar leven te gaan leiden en om gebruik te maken van haar eigen achtergrond- en achterbanfeiten.

Zestien dagen was ik onderdeel van een mega-familie. Op Zion Home, een uitgebreide compound die ze huurt in Uyole, leven doorgaans zo’n 40 tot 50 mensen. Nee, het is geen hotel. Het is echt een woon-gemeenschap. Waaruit bestaat dit grote ‘gezin’?
Ten eerste: er zijn 31 kinderen, variërend in leeftijd van 1 tot 20. De oudste zit inmiddels op de universiteit in Dodoma, maar is tijdens vakanties ook thuis. Een grote groep zit op de secondary school en dan zijn er veel kinderen onder de 14 jaar, die nog primary school doen en vooral ook hier in Zion Home zelf onderricht krijgen, ook van vrijwilligers. Let op: ál deze kinderen zijn geadopteerd! Voor de meesten geldt, dat als ze niet hier waren, ze waarschijnlijk al niet meer zouden leven. Ook tijdens mijn eigen verblijf bij The Olive Branch speelde er een nieuw geval: een meisje van 12 dat alles kwijt is en ook de overheid hier weet dan Deborah te vinden: jawel, er is ook plaats voor haar. Ze is de dag na mijn vertrek ook in deze familie opgenomen.
Afgelopen zondag maakten we een lange wandeling naar een fenomenaal mooi kratermeer (Lake Ngozi) in de buurt. Baraka, 13 jaar oud, was ook mee. Hij loopt moeilijk. Deborah vertelde me, dat zijn hart het het komende jaar zal gaan begeven. Hij was al wees en toen hij door ademnood gedreven door zijn oom naar het ziekenhuis was gebracht, is deze ‘m dus gesmeerd. Was hij daar door iedereen verlaten in een ziekenhuis. Toen is Deborah dus ook gebeld. Door betere medicatie knapte Baraka weer wat op, maar Deborah stelt: we geven ‘m gewoon een goed laatste jaar hier.

Deborah heeft nogal veel energie. Zelfs ik zélf val daarbij in het niet (en dat wil heus wat zeggen). Iedere morgen om half zes loopt ze het hele schema door van de medicijnen die de meeste van haar kinderen dagelijks nodig hebben. Hier in Tanzania is er een hele generatie weggevallen door aids. In veel gevallen de ouders van deze kinderen, die dan ook HIV aan hun kinderen hebben overgedragen. Overdag wordt ook hard gewerkt aan het nieuwe grote eigen verblijf van The Olive Branch for Children. Ik ben er niet aan toe gekomen, de nieuwe bouwplaats, een kilometer of 25 vanaf het huidige Zion Home, te bezoeken. De bouw schiet naar haar eigen zeggen niet op, maar binnen 2 jaar moet de héle familie daar wonen, inclusief ook de 15 kinderen die in de Peace Home-dependance zitten en daar worden bemoederd door mama Edina, de Tanzaniaanse submoeder.
Deborah wil op de nieuwe locatie haar eigen school geaccrediteerd krijgen en dan haar organisatie nog veel beter grondvesten.

Er zal dan vast sprake zijn van ‘professionalisering’ – om maar eens een heel westers woord te gebruiken – ten opzichte van het toneel van mijn ervaringen deze afgelopen weken. Hier bij Zion Home in Uyole ga je diep in je onderdompeling in een andere wereld. Geen ‘normale’ WC, geen douche. Koud water uit een plastic bekertje om over je heen te gieten. Een poepgat, dat je zelf zo goed en zo kwaad als kan weer schoongiet met een emmer. Een smoezelige plastic zak, waar iedereen zijn WC-papier indoet. Een huiskamertje waar alle vrijwilligers rondhangen, maar dat ook uitgebreid gefrequenteerd wordt door de kinderen en waar álles rondslingert en blijft liggen. Waar notabene een nestje jonge katten in de kast ligt en moederkat het heerlijk vindt om na het eten de tafel op te klimmen om te kijken, wat er nog te smikkelen valt.
Zelfs Jan Steen zou er niet meer om kunnen lachen. Buiten zitten de dames (een heel contigent dameshulp voor eten en schoonmaken, maar nadrukkelijk op z’n Tanzaniaans; ook een onderdeel van de familie) om de grote potten op de binnenplaats. Daar worden gaarkeukenhoeveelheden rijst en ugali – de maispuree die in Tanzania het nationale dagelijkse voedsel is; smaakt nergens naar - klaargemaakt. Altijd weer de bonen en de spinazie erbij. En een pannen met onbestemde stukken vlees. Eten wat de pot schaft. Na een tijdje merk je dat die dagelijkse behoefte aan ‘lekker eten’, dat luxegedoe van thuis, heel relatief is. We leven niet om te eten! En dan is het goed.

Normaliter is het niet zo heel druk met vrijwilligers. Er zijn er altijd wel een stuk of 5 of zo, maar meest zijn het langdurige verblijven, vaak ook meer dan een half jaar. Op dit moment ook een paar die er al meer dan een jaar zitten en/of nog een jaar zullen blijven. Ze leren de taal, gaan zich er thuis voelen, worden echt part of the family. Maar er waren nu juist ook een paar grote groepen Canadezen en Ieren. Studenten van tussen de 22 en 24 jaar. Ze kwamen ook als groepen, met een vooraf goed afgestemde opdracht voor de vervulling van hun tijd hier. Sommigen richten zich vooral op de kinderen hier; anderen zijn druk bezig met de community development projecten, die The Olive Branch op poten heeft gezet. Aan ‘zomaar-vrijwilligers’ hebben ze hier niet zo veel. Het moet wel echt de juiste toegevoegde waarde hebben.
Ik had Deborah vooraf wel gevraagd, wat het mij zou kosten om hier een tijdje vrijwilligerswerk te doen. In een mailtje kreeg ik te horen, dat het dan om de vergoeding voor verblijf en eten zou gaan: ongeveer 10 dollar per dag. Schijntje dus. Toen ik een paar dagen geleden vroeg om een soort van ‘afrekening’, vertelde ze me (maar dat mag ik natuurlijk niet zomaar veralgemeniseren): “Niko, bepaal alsjeblieft zélf wat je wilt geven. En als je iets specifieks weet, waaraan je wilt dat ik het besteed, dan doe ik dat. Al je geld zal sowieso gebruikt worden voor onze projecten.”

Een paar weken voorafgaand aan mijn komst kreeg ik een mail van Deborah, waarin ze me vertelde, dat ze een mooi project voor me had. The Olive Branch heeft sinds een tijdje een ‘Food Support Program’ draaien, gesponsord door een rotaryclub in Canada. Deze club heeft 5000 dollar gesponsord, voor een jaar. Deborah zou graag wensen, dat deze club dit structureel gaat doen en daarom heeft ze bedacht, dat het goed zou kunnen werken, als ik verhalen schrijf, in woord en in beeld (foto, film) over de mensen die in dit voedselhulpprogramma zitten. Dat zijn er nu zo’n 50. Deze mensen krijgen maandelijks 5 kilo bonen, 10 kilo mais, 5 eieren en een groot stuk zeep. Je zou zeggen: help, daar kan geen mens van leven! Ik ben er achter gekomen, dat er heel wat mensen in dit voedselprogramma zitten, voor wie dit geen additionele bijdrage is, doch de basis voor hun bestaan. Deborah introduceerde Bahati bij me. Hij is mijn vertaler (nog een onderdeel van de familie: de begeleiders en vertalers; jongens die opleidingen volgen en hier hun ‘intership’ doen; er is een gezellige slaap-/woonkamer voor ze aan de andere kant van het terrein) en we gaan acht dagen lang samen op pad. De mensen die we interviewen wonen in de dorpjes op de plains: de uitgestrekte zanderige vlakte met aan de noord- en aan de zuidkant in de verte uitgestrekte bergketens. De dorpjes zijn volgebouwd, zonder enige structuur, met ‘mud houses’. Lemen hutjes. Aangesmeerde en verdroogde modder. Alles is beige van kleur. De bodem, de huisjes en de mensen nemen als vanzelf ook die kleur aan. De huisjes zijn ‘leeg’. Er worden wat houten krukjes aangesleept als ik verwelkomd wordt. Zelf bivakkeren ze doorgaans ook gewoon op de grond. Er staan wat emmertjes en pannetjes; er ligt wat brandhout. Er hangt een dikke rook in het huisje, want er staat wat te pruttelen in het pannetje, rustend op wat rotsige stenen. Verder wat rommel en that’s it. De keren dat ik het stukje doek even wegtrok om het ‘slaapkamertje’ te zien, bleek dat meestentijds ook letterlijk ‘niets’ op te leveren: een leeg donker bedompt kamertje. Men slaapt op de grond.
Oude mensjes met getekende gezichten. Jochies met verlopen en gescheurde shirtjes met Messi en Van Persie op de rug.

In de acht dagen dat we op pad zijn, regelmatig ook 20 kilometer op een fietsbarrel het stoffige veld in, heb ik 35 interviews gedaan. Bijna zonder uitzondering waren het hartverscheurende verhalen. ‘Hoeveel kinderen heeft u gekregen?’ Ze slaan aan het rekenen (hun eigen leeftijd weten ze bijna nooit) en komen dan uit bij gemiddeld zo’n 7 kinderen. Maar gemiddeld leven er dan nog één of twee. Zoiets. Al die dode kinderen; die verloren gegane anderhalve generatie. Al die aids-slachtoffers! Ongelooflijk. Kleinkinderen hebben ze dus veel méér. Daar zorgen ze voor. Hun verweesde kleinkinderen.
Daarnaast nog een boel specifieke andere situaties van armoede, handicaps, totale lethargie, honger, gebroken families, etc. etc. Ik ga ver bij het maken van foto’s. Probeer alle terughoudendheid af te schudden. Het lijkt soms wel voyeuristisch. Maar ik denk dat het moet, ik denk dat het goed is. En Deborah zegt mij ook: joh, een foto zegt meer dan 1000 woorden en het gáát hier ook om ellende. Waar ik erg blij om ben, dat is dat ze me een geweldige fotograaf vindt. Maar ook mijn verhalen zijn goed. Ik voel zelf ook wel aan, dat mijn bijdrage hier iets goeds is en dat ik dit beter kan brengen dan één van die ‘youngsters’. Jawel, ik ben gewéldig blij met dit project, ik ga er totaal in op en schakel elk thuisaangeleerd ervaringsinterpretatiekader volledig uit. Dit is niet iets met plus en min, met mooi en lelijk, dit is een ondeelbare en niet stil te zetten stroom van gevoelens en indrukken.

Uiteindelijk had ik na twee weken een rapport klaar, natuurlijk ook vol met foto’s, alles bij elkaar meer dan 80 pagina’s. Ik ben zelden in mijn leven zélf zo blij geweest met iets wat ik zelf heb gemaakt. Blij ook om het aan anderen te tonen. Trots dus. En dat in maar twee weken. Gisteren was mijn afscheid en heb ik een mooie speech gekregen. En hebben 20 kinderen voor me gedanst en gezongen. Ik hield het natuurlijk niet droog.

The Olive Branch for Children richt zich niet alleen op kinderen. Dit voedselhulpprogramma is er gewoon voor de allerallermeest achtergestelden. De mensen voor wie eigenlijk niks anders meer te doen is, dan te proberen ze finaal nog een béétje comfort te geven. Maar de oma van Doris krijgt het voedsel voor Doris, die 15 jaar is, verschrikkelijk hard werkt om de allerbeste eindresultaten te halen op haar primary school. Zelfs in de vakantie gaat ze naar school om extra te oefenen. Ze wil zó graag naar secondary school! Ah, daar mag mijn geld naartoe, Deborah!

Een stuk of 20 zogenaamde Home Based Care-providers (HBC) zijn bij The Olive Branch in dienst. Zij vertegenwoordigen allemaal een dorp of een subdorp (ja, dat heet ook echt zo, is één van de bestuurslagen in dit land). Zíj zijn de mensen, die de brug moeten slaan. De vrijwilligers zijn er dan ook met name op gericht, de voorlichting aan deze mensen te brengen. Voorlichting over seksuele hygiëne, of condoomgebruik, over voedselhygiëne, of het op de juiste en structurele manier gebruiken van de HIV-remmers, voorlichting over drankmisbruik door de pikipiki-chauffeurs (brommer-taxi’s), etc. Deze HBC spreken geen Engels, zijn wel ‘community leaders’ in hun eigen dorp. Zij moeten die rol echt goed oppakken, maar zijn daartoe vaak ook nog totaal niet goed geëquipeerd. Dat vraagt om ervaring, daadkracht, maar ook om mentaliteitsveranderingen. Of, in ieder geval: het veel beter begrijpen van elkaar. Deborah heeft me ook expliciet gevraagd, daarmee rekening te houden bij het formuleren van adviezen naar aanleiding van de interviews. Vaak, zo heb ik ook zelf kunnen zien, krijgen ze wel voedsel, en dat is helemaal goed, maar is eigenlijk ándere hulp veel belangrijker. Daar moeten de HBC-mensen ook oog voor krijgen. De wegrottende rolstoelen, die ik in verschillende modderhuisjes tegenkwam: probeer ze te laten repareren, want misschien heeft iemand ánders er wat aan! Het is regelmatig onthutsend om te zien, dat het de mensen zelf aan oplossingsgerichtheid ontbreekt. Dat is dan weer die merkwaardige, fascinerende lelijke spiegel, die je jezelf per ongeluk dan weer voorhoudt. Die post-koloniaal die zonodig toch weer even wakkergeschud wordt in me.

The Olive Branch for Children is voor de volle 100% puur en echt. Er is niks opgekalefaterd aan, het probeert aan te sluiten bij de noden die er zijn. Er is ook niks ‘heiligs’ of patroniserends aan, het biedt ruimte aan alle gedachten en focust op nogal intense wijze op geluk en plezier. Er is ook niks belerends, iedereen kan en mag er zijn wie hij is en wil zijn. Dat geldt ook voor de kinderen, met wie Deborah ’s avonds in de grote ontmoetingsruimte samen yoga doet, op R&B of op Afrikaanse muziek danst, voordrachten, debatten en seminars organiseert, etc. etc. “Luister, kinderen, jullie zijn de erfgenamen van The Olive Branch. Jullie gaan de community leaders van de toekomst in dit land worden. Het zijn jullie ooms en tantes, jullie broers en zusters, jullie stamgenoten, voor wie jullie dit allemaal kunnen doen.”

Deborah heeft de juiste manier gevonden, tevens, om haar eigen achtergrond dienstbaar te maken aan haar ongelooflijke project. In het bestuur van de charity voor The Olive Branch in Canada zitten ook haar moeder en zus. Ze heeft een prachtig netwerk in Canada, maar ook in Ierland en in Duitsland, waar mensen structurele sponsorships aan The Olive Branch organiseren, of waarvandaan groepen vrijwilligers komen. Eens per jaar is ze een maand op pad om speeches te houden in Amerika en Europa. Bij elkaar draait The Olive Branch op zo’n 250.000 dollar per jaar. In Nederland goed voor de jaarlijkse (para)medische zorg van een paar hulpbehoeftigen (houd mij ten goede: het is gewéldig dat dat in Nederland kan!), hier in Uyole draait er een hele minimaatschappij op. The Olive Branch leidt, opvoedend en scholend en liefdevol, minstens 50 kinderen op tot de allerbeste vertegenwoordigers voor de ontwikkeling van het land en organiseert ontwikkelings- en ondersteuningsprogramma’s voor mensen in een gebied van 80 bij 40 kilometer, waar zo’n beetje de armste mensen van het land wonen.

Natuurlijk kom ik hier volgend jaar of het jaar daarna weer terug. Ik wil ook zien hoe het verder gaat. En als er dan weer zo’n prachtig project is voor mij om een bijdrage aan te leveren, dan zou dat geweldig zijn.

Niko Winkel, 9 juli 2015

MamboViewPoint - Verslag van een correcte vrijwilliger

MamboViewPoint – 20 mei 2015 – 17 juni 2015

Iedere morgen wakker kort na zonsopkomst. De dagen voor de mensen hier duren ook echt van zonsopkomst tot zonsondergang. Zo tellen ze ook de tijd: zeven uur ’s morgens heet het eerste uur van de dag: ‘saa moja kamili’. De nacht vált ook echt, hier: binnen een half uurtje is het hartstikke donker. Tenzij de maan vol is, dan kun je er bijkans bij lezen. En duizenden sterren prikken gaatjes in een eindeloos zwart plafond. Loop je dan over de top van de berg, waar het vrijwilligershuisje staat, dan waan je je in een stil en gigantisch theater. Hoewel? Je hoort áltijd wel wat; de geluiden dragen kilometers ver door de dalen. Een koe, een haan. En op gezette tijden van her en der de muezzins, galmend door hun luidsprekers. Maar het meest nog hoor je, overdag dan, de kinderen. Er zijn er zóveel hier! In het dorp Mambo wonen 5000 mensen en er zitten er 2000 op de basisschool.

Mambo ligt een kleine 2 kilometer afdalen in het dal. Er rijden pikipiki’s rond. Die brengen je voor een prikkie (althans: naar ónze maatstaven) van dorp naar dorp (of van MamboViewPoint naar dorp), maar veruit de meeste mensen lopen hier. Lopen eindeloos. De studenten die de afgelopen maand de door mij zelf opgezette Word- en Excel-lesjes hebben gevolgd, hadden daar anderhalf uur lopen heen en ook weer anderhalf uur terug voor over. Ally en Josef zijn de gidsen bij MamboViewPoint. Ze wonen in Mtae, het dorpje dat je hiervandaan over de volgende bergkam uitgestrekt ziet liggen, en lopen alle dagen. Ook als er geen werk voor ze is. Ook dat is minstens een uur afstand. Maar loop je de prachtige wandelingen langs de klif, naar de grotten of door het regenwoud met ze, dan is het toch net alsof ze geen weerstand tegenkomen, zo lichtvoetig. Alle mannen zijn hier zo rank Twiggy in haar beste jaren. Ook veel vrouwen trouwens, al geeft het voor vrouwen juist weer status, niet al te slank te zijn.
Maar ja, het is hier in de bergen ook werken, werken, werken. Ik heb me laten vertellen, dat ze hier ook nóg harder werken dan vroeger. En dat MamboViewPoint daar zelfs een beetje de hand in heeft.

Herman en Marion, het MamboViewPoint-echtpaar, vertrokken zes jaar geleden uit Lienden om de rest van hun leven hier te leven ván de opbrengst van hun te bouwen lodge en te leven vóór het op duurzame wijze helpen van de mensen hier om een gezonder leven met iets meer welvaart op te bouwen. Dat is geen hoogmoed: de mensen zijn, grosso modo, straatarm en daar zitten enige min of meer nodeloze kanten aan, want het is een prachtig vruchtbaar land. Geef je de koeien iets meer van de juiste aandacht en medicamenten, dan heb je veel meer melk. Geef je de dames, die hier traditioneel de moeders helpen bij bevallingen, een beetje opleiding, alleen al in hygiëne, dan redt dat levens. De kindersterfte is héél hoog. Zorg je dat ze een rookloos kacheltje in hun lemen hut gebruiken, dan zitten ze ineens niet meer de hele dag in verstikkende rook in hun aardedonkere kamertje, waar ook de babies liggen te slapen. Je hoort ze wel, maar je ziet ze niet. Door de zware mist in huis. Longziekten zijn dan ook nummer één hier.

Ook de watervoorziening mag niet onvermeld blijven. MamboViewPoint organiseert het graven van putten en het aanleggen van de Blauwe Pompen van Fairwater. Die pompen gaan dertig jaar mee en het is geen kwestie van installeren en wegwezen: MamboViewPoint onderhoudt ze en zorgt dat het niet ‘gratis’ is voor de mensen hier. Dat zou de dood in de pot zijn: het ‘big issue’ in de hele derde wereld met veel ontwikkelingshulp.

Waar mijn eigen inzet op gericht was, dat was weer heel wat anders. Natuurlijk, het was een participerende observatie. Mijn eigen project is immers: Tanzania leren kennen vanuit de goéde ontwikkelingsprojecten, waarbij ook gebruik gemaakt wordt van internationale vrijwilligers. Ik ben geen verpleegkundige, geen landbouwdeskundige, geen techneut, geen sociaal werker. Maar ja, de meeste internationale vrijwilligers zijn dat ook niet. Sterker nog: die zijn 20 jaar oud en (sorry, youngsters), die hebben nog geen énkele expertise die normaal gesproken rechtvaardigt dat je hier de mensen wat komt leren. Voor mij een voordeel, op zich: kan ik me blijvend de wetenschap, dat 90% van het vrijwilligerswerkpotentieel heel veel- en goedwillend is, doch min of meer ongekwalificeerd, blijven realiseren. Want mijn expertise is ook niet écht van het toepassingsniveau als dat van een arts, verpleegkundige.

Mijn productiviteit in vier weken: het ontwikkelen en inrichten van de bibliotheek met zo’n 250 titels. Ze zitten nu in de computer en ik heb er een systeempje (software) voor gebouwd, met behulp waarvan Hoza, de manager van Jamiisawa, het hele beheer- en leenproces kan bijhouden. Hoza is er heel blij mee.
Daarnaast heb ik een uitgebreide Powerpoint-presentatie gemaakt ten behoeve van een instructieles Word voor beginners. En ook zo eentje voor Excel. Henrish is hier bij Jamiisawa in dienst om studenten te helpen. In het klaslokaaltje van Jamiisawa staan vijf computers op een rij. Vier daarvan zijn kleine tablets en daarnaast zijn er twee grote laptops met een Spaans toetsenbord. Ik weet nu ook de werkelijke symbolen, waar de toetsen naar iets anders wijzen. Dus achter de toets met dat vraagteken op z’n kop, daar zit in werkelijkheid ‘)’. Raphael, een gepensioneerde Spaanse leraar, is hier al meerdere keren geweest. Hij leerde de kinderen op de basisschool beter Engels. En hij liet ook een paar oude laptop’s achter. Ook die van Hoza is Spaans en hem heb ik ook uitgebreid Word en Excel bij zitten brengen.
Een ander projectje van Hoza is het kopiëren. Regelmatig hebben de mensen hier ergens een kopietje van nodig. Een identiteitsbewijs, een contractje, whatever. Dan komen ze de berg op lopen om hier van het enige kopieerapparaat in de omtrek gebruik te maken. Daar betalen ze dan 300 shillingen per kopie voor (die natuurlijk ook weer het ‘community fund’ in gaan, al weten de mensen dat zelf verder niet). In een Excel-sheet houdt hij het bij. Ik heb daar even wat formules in gezet en daarna de sheet beveiligd. Nu hoeft hij alleen maar bij te houden, wanneer, aan wie en hoeveel kopietjes hij maakt en alles wordt bijgehouden. Hij had al heel wat telfouten gemaakt, dus de kas klopte ook veelal niet.

De computers hier zijn de enige computers in de wijde omtrek. Twee van de studenten, die elke middag bij ons komen binnenwandelen, zijn leraren op de basisschool van Kwentiindi, een dorpje een viertal bergen en dalen verderop. Zij hangen aan mijn lippen als ik, in hun ogen, “tover” met de computer. Vooral met Excel is dat ongelooflijk leuk en betrap ik mezelf er ook op, dat ik er mee aan het ‘spelen’ ben: “kijk eens, als je dit dan gedaan hebt, en je klikt op die toets….” en dan de schrik in hun verwonderde ogen, als ze zien dat álle data mee veranderen.
Deze jongens zijn onderwijzer, hun Engels is heel matig, hoewel ze zelf ook Engels geven op school. De andere studenten zitten op de secondary school en zijn tussen de 15 en 19 (maar leeftijd schatten hier is erg lastig; ik dacht in het begin ook dat de twee leraren leerlingen waren). Hun Engels is nog wat matiger. Ze krijgen echter iets als “ik snap het nog niet, wil je het nog een keertje uitleggen” niet over hun lippen. Ze zeggen alleen maar ‘yes’. Heb je het begrepen? Yes. Heb je het niet begrepen? Yes. Als Henrish – eigenlijk ben ik natuurlijk de teacher’s teacher geweest – zelf les geeft, dan staat hij als een professor achter de gebogen ruggen van de studenten, turende op hun miniscule tabletbeeldschermpjes, en klinkt het alsof hij heer en meester is over studenten en stof. Maar dat is maar schijn: Henrish weet ook nog héél weinig. En hoezeer ik ‘m ook heb uiteengezet (ook als onderdeel van het lesje), dat je in Word-documenten geen ruimte moet creëren met de spatietoets (‘Henrish, spaties zijn onzichtbare duivels! Ze schuiven al je tekst over de rand als je iets verandert’) , hij blijft het gewoon doen. Herhalen, herhalen, herhalen, zegt Marion weer. Ik ben ook net zo: zij moet het bij mij weer herhalen en herhalen. Nou, Marion, het is geland hoor. Het ontwikkelen gaat hier van ‘au’ en het gaat stapje voor stapje. Alle verhalen van Herman en Marion, over alle projecten en ontwikkelingen in vijf jaar, tekenen het: duurzame ontwikkeling, het gaat langzaam. Maar het is duurzaam. Het beklijft. Er is veel ontwikkeling hier.

Daarnaast had ik nóg een project. In Excel ben ik aan het bouwen geweest aan een administratief beheersysteem voor de Jamiisawaa-stichting, waar nu zo’n 11 mensen, sommigen vast, sommigen op projectbasis, voor aan het werk zijn. Dit systeem kan hopelijk voor Herman een goeie opzet zijn om op voort te bouwen. Dit was dus ‘secundair werk’: werk ten dienste van de stichting, maar zónder dat ik direct met de locals in de weer was. Jawel: boven op de Mambo-berg een paar weken gewoon een kantoorbaan. Ook dát kan! Het heeft wel iets surrealistisch.

Alles wat ik tot dusver heb opgeschreven, beslaat ongeveer de helft van mijn wakkere uren bij MamboViewPoint en de vanuit MamboViewPoint opgerichte Jamiisawa-foundation. MamboViewPoint is de ‘onderneming’, waaruit evenwel heel veel funding van de community-projecten komt. Jamiisawa is de stichting, met locals in het bestuur, en is dan ook niet onderworpen aan ondernemingsbelastingen.
De andere helft van de uren is er ruimte genoeg om de omgeving te leren kennen. Je kunt fantastische ‘hikes’ maken door de bergen, samen met één van de gidsen van MamboViewPoint. Voor vrijwilligers zijn deze halve of hele dagtochten ook helemaal zonder kosten. Ik heb ook drie weken lang iedere ochtend een uurtje Swahili-les gehad van Josef.
En in de verschillende dorpjes zijn op verschillende dagen ongelooflijk kleurrijke markten. Meerdere keren ben ik mee geweest met Hoza of anderen voor een bezoek aan een school. Zo werden er instructieve schoolplaten bezorgd bij scholen. Deze waren gemaakt door Makanyaga, die als kunstschilder in dienst is bij Jamiisawa en ook meewerkt aan het ‘drop-in’-project, dat kinderen die om wat voor reden dan ook uit het schoolsysteem zijn ge’dropt’, opvangt. Makanyaga heeft op de lange wand in mijn kamer in het vrijwilligershuisje een hele grote schildering gemaakt van mijn eigen gezin, aan de hand van foto’s, maar gesitueerd in het Kilimanjaro-landschap. Makanyaga maakt dus ook deze schoolplaten. Gijs, uit Alphen aan den rijn, heeft hier een kindercircus opgezet. In het weekend crossen de kinderen op éénwielers de berg af.

MamboViewPoint laat gasten ook zien, waar ze allemaal aan mee kunnen werken. Zo kun je een paar bomen planten. Het is zinvol om de bomenstand hier weer terug te brengen naar ‘vroeger’: de watervretende uitheemse Eucalyptussen en ander bomen, ze moeten eigenlijk goeddeels weer vervangen worden door inheemse boomsoorten. En je kunt dus ook zo’n schoolplaat sponsoren. Word je ‘Friend of Mambo’ dan zit je in het systeem; er zijn meer mooie projecten, die je kunt steunen. Dat is erg ‘belonend’: hier komt álles aan op de juiste plaats. Gedurende mijn periode was ik de enige vrijwilliger bij MamboViewPoint. Het was ook een relatief stille tijd. Weinig toeristen. Zo nu en dan kwamen er ‘overlanders’ aanwaaien, heel Afrika doortrekkend in een jeep. Als er toeristen waren, dan was het direct ook een stuk levendiger. Ik zat hier gewoon domweg in ‘hartje winter’. Ook voor wat betreft het weer was dat te merken: ik liep de meeste tijd met een sweater aan. En ’s nachts valt de temperatuur naar beneden naar zo’n graad of tien. De Kilimanjaro, 160 km verderop, kun je hier bij helder weer vanaf de bergtop zien, maar ik had pech: heb ‘m niet één keer kunnen zien. Maar ach, het is slechts het slagroompuntje op de taart: iedere morgen nam ik het diepe dal weer in me op, met de dorpjes in de vlakte 1300 meter lager, de Pare-mountains aan de ‘overkant’ en de Mtae-bergkam in het oosten. In het westen zie je zelfs in de verte de highway van Dar naar Arusha. Het blijft adembenemend mooi.

In juli komt er een Poolse creatieve landbouwdeskundige, komen er een paar vroedvrouwen en een onderwijzeres uit Nederland en komt er een groep studenten uit Amerika. Ook het toeristenseizoen staat net weer op het punt van beginnen. Marion en Herman hebben best veel last gehad van de Ebola-epidemie (te zot voor woorden, want West-Afrika is heeeel ver weg), maar ze draaien goed met hun sociale onderneming en hun community-projecten. Marion was nét, voor het eerst in zes jaar, een maandje naar Nederland geweest. De culture shock was immens: ze is blij dat ze weer terug is en kon er maar moeilijk over uit, hoe ‘aangeharkt’ Nederland is: ‘ik zou daar niet meer kunnen wonen’.

Ik ben dankbaar dat ik een maand heb mogen verkeren op de berg bij MamboViewPoint. Dat klinkt een beetje stichtelijk, maar ik meen het ook zo. Ik beschouw het als een voorrecht, deze maand aan het rijtje piekervaringen in mijn leven toe te kunnen mogen voegen.

Nu kan ik dit verhaal praktisch gaan vertalen naar mijn eigen project: GoTanzania!. Want daar ging ’t me om: ‘spread the word’ over de échte ontwikkelingsprojecten, die ook werken met vrijwilligers, in Tanzania. Dit was een prachtige start voor mij.

www.mamboviewpoint.org
www.jamiisawa.org

Niko Winkel, 19 juni 2015

Een kleine revolutie in Mambo in de Usambara

"Hier in Mambo is nooit bekend wat de dag brengt. Even boodschappen doen - twee uur verderop - kan leiden tot een indrukwekkende gebeurtenis. Onderweg naar de boodschappen passeren we een pikipiki (brommertje) met drie passagiers. Twee mannen met een vrouw tussen hen ingeklemd. Mevrouw Mwanahawa is bewusteloos en heeft in deze situatie ook nog eens haar been verbrand aan de brommeruitlaat. Mevrouw Mwanahawa is net bevallen en het bloeden wil niet stoppen. We leggen haar achter in onze pickup en snellen naar de dichtstbijzijnde wat beter geoutilleerde dokterspost in Rangwi. Daar wordt mevrouw Mwanahawa aan een infuus gelegd. Het was kantje boord maar door onze toevallige ontmoeting heeft ze het gered."

Marion Neidt is, samen met haar partner Herman Erdsieck, eigenaar van MamboViewPoint. Deze ecolodge hebben ze gebouwd in nauwe samenwerking met de mensen in het dorp Mambo, helemaal aan het einde van de Usambara-bergen in Noordoost-Tanzania. Vorig jaar stond dit prachtige artikel van haar hand in het Tijdschrift voor Verloskunde.

Een prachtige blijk van 'female power' in de nog erg masculiene en traditionele cultuur in deze verre uithoek. Het artikel besluit met een oproep aan professionele vrijwilligers om hier de 'traditional birth attendants' te komen opleiden. Dat heeft wat opgeleverd: komende maand komen er twee verloskundigen naar Mambo om hier een aantal maanden te komen helpen. Reken er maar op: dat gaat weer mensenlevens redden. (Lees het PDF-artikel)

MamboViewPoint – uitzicht op paradijs en ontwikkeling (1)

Mambo was mijn kantelpunt, vorig jaar in maart. Na een ervaring van drie maanden meewerken aan een onthutsend ‘voluntourism’-project in Arusha, kwam ik hier terecht, voor een paar dagen verpozing, en vielen de kwartjes: ontwikkelingswerk, vrijwilligerswerk… het hoéft geen bizarre wereld te zijn vol van onmacht, onwil, onvermogen, onbegrip en dubieuze bedoelingen. Het kan ook anders. Wat was ik blij met die ervaring. Ik nam me één ding voor: hier kom ik weer terug. Terug in Mambo, bij de ecolodge MamboViewPoint, waar duurzame ontwikkelingsprojecten hands-on worden opgezet.

Op deze reis van bijna drie maanden ga ik meerdere projecten bezoeken. Projecten die proberen een ethisch verantwoord antwoord te zijn op het opportunistische verdienmodel van de meeste grote vrijwilligerswerk-ondernemers. Duurzaam vrijwilligerswerk, is het mogelijk? Zeker wel. Herman en Marion zijn, ook al ruim in de vijftig toen, zes jaar geleden neergestreken op het noordelijkste puntje van het Usambara-gebergte. Het plan: een eigen ‘ecolodge’ bouwen en de hele onderneming baseren op het stimuleren van de lokale gemeenschap, zowel economisch als sociaal. Ik ben hier nu een week en blijf er nog vier.

De inmiddels 21 werknemers van MamboViewPoint voeden bij elkaar meer dan 100 mensen in het dorp Mambo. Backpackers en ‘overlanders’ waaien hier aan. Zanzibar-toeristen komen hier nauwelijks: het is te ver. Als je de doorgaande weg van het noorden bij de Kilimanjaro naar het zuiden bij Dar es Salaam halverwege verlaat, klim je dit intieme gebergte in. Het is in oppervlakte niet groot, 90 bij 40 kilometer, maar het is een wereld op zich, waar je pas in Mambo aankomt na nog eens 3 uren hobbelen over oranje-gele modderbergwegen. Ondertussen kun je je vergapen aan het sprookjeslandschap, dat doet denken aan een mix tussen terrassenlandschappen op Bali en de ‘shire’ waar Hobbit Frodo opgroeide. Een paradijselijker groen berg- en cultuurlandschap is nauwelijks voor te stellen. De mensen hier overwegen niet de gammele bootjes aan de Libische kust op te zoeken. Samen met Josef, als gids, heb ik vanmorgen een lange wandeling gemaakt langs de hoge klif. Josef is eens, een uitwisseling via de kerk, een tijdje naar Duitsland geweest. De ‘culture shock’ was echter veel te groot en hij is veel vroeger dan bedoeld weer naar huis gegaan. Als je hier bent, kun je je dat héél goed voorstellen.

De andere kant is, dat de bevolking erg arm is: een gemiddeld inkomen van nog niet eens 1 dollar per dag. Drinkwater, elektriciteit, brandhout, gezondheidszorg, in alles is dit gebied geweldig achtergebleven. Dat geldt vooral ook voor opleiding en maatschappelijke emancipatie. Van ontwikkelingsgerichtheid is te weinig sprake. De helft van de tijd dat de kinderen op school zitten, krijgen ze geen les. Het gebied barst ook uit z’n voegen: de gezinnen zijn groot, de terrasperceeltjes tegen de hellingen klein. Misbruik van de natuurlijke hulpbronnen ligt altijd op de loer, met boskap en erosie tot gevolg. Het leefklimaat in de huizen van droge modder is vaak abominabel. Er is één dokter voor 30.000 mensen, geen ambulance. En zo kun je nog wel even doorgaan.

De ‘eco’-kwalificatie is regelmatig een wassen neus bij ‘ecolodges’ in Tanzania, maar hier is daarvan geen sprake. Alles is lokaal georganiseerd, met natuurlijke materialen uit de omgeving, op basis van zonne- en windenergie. Als ik een douche neem hangt er een energiemetertje aan de douchekabel om me te vertellen hoeveel water ik heb verbruikt. En om zes uur ’s morgens hebben de dienstdoende nachtwakers de houtkachel buiten aangestoken; het kacheltje dat mij straks een warme douche bezorgt.

Op het hoogste punt van de berg, waarop MamboViewPoint is gebouwd, staat het slaaphuis voor de vrijwilligers. Als je hier twee maanden naartoe gaat om mee te werken aan een project, of om er zelf eentje op te zetten, dan betaal je €20 per dag voor het verblijf in dit knusse huisje, een ontbijt met een naar eigen believen belegde omelet, een lunch met vers gebakken chappati (pannenkoek) met banaan of avocado en ’s avonds een verrassend uitgebreid diner. De yoghurt, het brood, de vijgenjam, de kaas: alles is zelfgemaakt. Dat hebben vrijwilligers ze geleerd.
Verspreid over de bergtop zijn zes prachtige en allemaal van elkaar verschillende gastenhuisjes gebouwd. Ook zijn er luxe tenten onder een rieten dak. Je hebt je eigen terrasje bij je sprookjeshuisje en je hebt een uitzicht zo mooi als je in je hele leven nog nooit gezien hebt: de klif gaat hier bijna loodrecht 1400 meter naar beneden. Diep beneden zie je een smalle vlakte, waarachter de bergen van het Pare-gebergte oprijzen. Als je bij helder weer ietsje naar rechts kijkt, dan zie je in de verte de Kilimanjaro, hoewel 160 kilometer ver weg.

Eigenlijk kun je álles hier doen, meewerkend aan de sociale en economische opbouw van de regio. Maar dat houdt dus niet in, dat je zomaar ‘op de bonnefooi’ hier wel een projectje kunt doen. Wat kun je? Waar liggen je kwaliteiten? Wat voor persoon ben je? Er wordt vooraf goed overlegd en overwogen; aan opportunistische fun-zoekers heeft MamboViewPoint niks.
Onlangs is de Stichting Jamiisawa opgericht door Herman en Marion: duurzaam toerisme is voor MamboViewPoint, community-projecten worden bij Jamiisawa ondergebracht. Herman en Marion zitten in het bestuur, maar verder wordt de stichting door lokale mensen gerund, met een kantoor en werklokaal met een flinke rij tablet-computers op het terrein van de lodge. Het ‘drop in’-programma, één van de Jamiisawa-projecten, trekt kinderen, die om wat voor reden dan ook niet meer naar school gaan, hier naartoe om toch opleiding te genieten. Ik ga de komende weken ook een bijdrage leveren: leren hoe ze internet (beter) kunnen gebruiken. Ik ben zelf nu bezig met het systematiseren van de bibliotheek vol vanuit Europa gesponsorde boeken.

Hosa, de ‘motor’ van Jamiisawa – hij komt dagelijks lopend een uur gaans hier naartoe – vertelt me, dat het belangrijk is, dat we de ‘accountability’ van de betrokkenen bij alle projecten verbeteren. Daarvoor is meer administratieve organisatie nodig. Gisteren nam hij me mee naar een school. Eén van de sponsors van MamboViewPoint is een Spaanse gepensioneerde leraar, die hier vorige jaar een tijd heeft lesgegeven op een secundary school. Toen hij de primairy school in het dorpje Mwentiindi, hier een kilometer of vier vandaan, zag, heel donker, grauw en afgebladderd, bood hij een budget aan om de school helemaal te schilderen. Hosa en ik bekeken de voortgang. Het budget schiet al op. Het schilderwerk vraagt meer tijd en aandacht dan begroot. Hoe is dit gepland? Welke afspraken zijn gemaakt? Hoe kun je met elkaar op elkaar rekenen? De ‘cultuur’ is wat je ervan verwacht: tering naar de nering en we zien wel waar we uitkomen. En de spelregels veranderen tijdens het spel. Misschien kunnen we hier een administratief systeempje op bedenken, zeg ik, met behulp waarvan we beter kunnen volgen, hoe het staat met voortgang en budget? Hosa kijkt me verwachtingsvol aan.

Vanmorgen kwam er een verzameling nieuwe fornuiskacheltjes aan. Kacheltjes die bedoeld zijn voor de modderhuisjes, waar de families de hele dag in de rook van hun slecht verbrandende houtkacheltjes zitten. Dit is preventieve gezondheidszorg. Deze families gaan deze kacheltjes zelf betalen, maar ze worden wel geholpen met de eigen kracht om het te financieren. Zo is er ook juist vandaag een grote hoeveelheid planken gebracht. Een lokale houtboer heeft een stuk van zijn productiebos gekapt, hij kon de cirkelzaag van Herman gebruiken. Maar het was veel meer hout dan Herman had besteld. Herman pakt direct door: weet je, laat maar hier, dan gaat de timmerman hier er stoelen van maken en die verkopen we in het dorp.

Als je ziet hoe natuurlijk toegevoegde waarde gecreëerd wordt hier, dan ga je automatisch helpen. Dan word je een ‘Friend of Mambo’, die een project sponsort. Of dan blijf je gewoon een tijd langer en gaat helpen de school te schilderen; ‘overlanders’ en backpackers hebben immers vaak de tijd aan zichzelf.
De primary school in Mambo is buitenom opgeschilderd met prachtige kunst: een artistiek echtpaar dat er een maandje langer voor bleef. Een culturele antropologie-studente deed onderzoek en schreef haar scriptie over de ontwikkelingen rondom het medicijngebruik: hoe verhouden traditionele en moderne geneeskunde zich hier cultureel tot elkaar? Over een maand komen er een paar vroedvrouwen uit Nederland om vrouwen hier op te leiden. Over twee maanden een Poolse ecologisch-landbouwkundige, die extracten van lokale planten gebruikt voor lotions en drankjes. Het doel: dit de mensen hier leren met het oog op nieuwe producten om te verkopen.

Ik blijf hier nog een week of wat. Vertel graag over enige weken verder over mijn Mambo-ervaringen.

Niko Winkel
www.gotanzania.org

Zen en de kunst van het vrijwilligerswerk

[3 april 2015]
Het onderscheid tussen vrijwilligers en professionals is onzinnig. Professor ‘vrijwilligerswerk’ Lucas Meijs zet de discussie over vrijwilligers in ontwikkelingssamenwerking graag op scherp. “Ik ga heel ver in het recht van de civil society om zijn eigen dingen te doen.” 
In een artikel in My World Magazine vertelt Meijs hoe hij tegen het verschil tussen vrijwilligers en professionals aankijkt. Zonder de aandacht voor de kwaliteit van vrijwilligerswerk te verliezen, schetst hij een vrijere blik op de wijze waarop vrijwilligerswerk beschouwd mag worden. Hij komt daarbij aan met het beroemde boek 'Zen en de kunst van het motoronderhoud': “Ik ben het helemaal met ze eens als het gaat om motoronderhoud. Maar ik ben het volstrekt met ze oneens als het gaat om zen. (...) Denk je bij motorrijden aan motoronderhoud? Dan mag je ervan uitgaan dat grote clubs met hun systemen en keurmerken dat beter op orde hebben. Maar denk je bij motorrijden aan zen, dan zou kwaliteit weleens veel subjectiever kunnen zijn.” 
Lees het hele interview op de website van MyWorld. (Wel even inloggen!)

"De juf is een mzungu"

[10 februari 2015]
Angela van den Berkt werkte als stage/vrijwilliger in Tanzania en heeft daar een boek over geschreven: "Ik hoor u denken: 'Oh nee, daar heb je er weer één. Zo'n blanke griet die tussen een groepje vrolijke Afrikaanse kinderen de wereldverbeteraar uit staat te hangen.' Ik geef u geen ongelijk. Ik zou het ook denken.
Maar het verhaal dat ik te vertellen heb, gaat niet over de vreugde van het onbaatzuchtige helpen van de Afrikaanse medemens. Dat soort opmerkingen doen mijn tenen krommen en hopelijk de uwe ook. De Juf is een Mzungu, het boek dat ik schreef over mijn stage in Tanzania, gaat over een leerkracht in de dop die er pas achter komt hoe Westers haar waarden zijn als ze in de keiharde confrontatie terecht komt met een onderwijssysteem waar klassen overvol zitten, leerkrachten niet worden betaald en leerlingen geslagen worden met stokken die ze zelf in de bosjes hebben moeten zoeken."

Lees verder op de website van Didactief