The Olive Branch - Verslag van een correcte vrijwilliger

The Olive Branch for Children, 22 juni – 8 juli 2015

Ruim twee weken in Uyole, vlakbij Mbeya, in het verre zuidwesten van Tanzania, voelen aan als minimaal een maand. Ik heb gemerkt dat het toch vooral de opeenstapeling van gebeurtenissen en nieuwe indrukken is, die de tijd sneller laat gaan, voor je gevoel. Maar laat hier geen aanbeveling om langzaam te leven uit doorklinken. Misschien is het wel zo, dat mijn onrustige temperament mij liever tot meer verschillende, korte en hevige, dan lange en diepe ervaringen drijft. Hoeveel diepte kan ik aan, in the end? The Olive Branch for Children bracht me wel zo diep als ik gaan kan.

Deborah McCracken groeide op in Toronto in een welgestelde familie. Papa was een corporate lawyer. Op haar vijfde had ze haar eigen paard. Ze ging naar de beste scholen en ‘lived the easy life’. Na een prestigieuze universiteit te hebben doorlopen, vertrok ze naar Afrika. Ze vertelde me dat een eerste bewustzijnsdoorbraak plaatsvond, toen ze 16 was en in een luxe uitwisselingsprogramma zat in Durban, Zuid-Afrika. Ze zag de townships en voor het eerst drong het tot er door, dat ze alle luxe in haar leven altijd maar ‘for granted’ had genomen.
Aldus: naar Afrika op haar 23e.

Ze is twee jaar niet terug naar Canada geweest. Toen ze ruim een jaar weg was, liet ze haar ouders weten: “I’m not coming back. I’m not gonna live in Canada anymore.” Daar schrokken ze wel van. Maar Deborah had toen haar plannen al: ik ga hier een eigen organisatie opzetten en ik heb ook jullie steun nodig. Zo is The Olive Branch for Children ontstaan. Nee, ze was niet verliefd geworden op een Tanzaniaan (dat kwam pas een jaar of zeven later), dus dit veel voorkomende scenario gold voor Deborah niet. Wel de drang om hier haar leven te gaan leiden en om gebruik te maken van haar eigen achtergrond- en achterbanfeiten.

Zestien dagen was ik onderdeel van een mega-familie. Op Zion Home, een uitgebreide compound die ze huurt in Uyole, leven doorgaans zo’n 40 tot 50 mensen. Nee, het is geen hotel. Het is echt een woon-gemeenschap. Waaruit bestaat dit grote ‘gezin’?
Ten eerste: er zijn 31 kinderen, variërend in leeftijd van 1 tot 20. De oudste zit inmiddels op de universiteit in Dodoma, maar is tijdens vakanties ook thuis. Een grote groep zit op de secondary school en dan zijn er veel kinderen onder de 14 jaar, die nog primary school doen en vooral ook hier in Zion Home zelf onderricht krijgen, ook van vrijwilligers. Let op: ál deze kinderen zijn geadopteerd! Voor de meesten geldt, dat als ze niet hier waren, ze waarschijnlijk al niet meer zouden leven. Ook tijdens mijn eigen verblijf bij The Olive Branch speelde er een nieuw geval: een meisje van 12 dat alles kwijt is en ook de overheid hier weet dan Deborah te vinden: jawel, er is ook plaats voor haar. Ze is de dag na mijn vertrek ook in deze familie opgenomen.
Afgelopen zondag maakten we een lange wandeling naar een fenomenaal mooi kratermeer (Lake Ngozi) in de buurt. Baraka, 13 jaar oud, was ook mee. Hij loopt moeilijk. Deborah vertelde me, dat zijn hart het het komende jaar zal gaan begeven. Hij was al wees en toen hij door ademnood gedreven door zijn oom naar het ziekenhuis was gebracht, is deze ‘m dus gesmeerd. Was hij daar door iedereen verlaten in een ziekenhuis. Toen is Deborah dus ook gebeld. Door betere medicatie knapte Baraka weer wat op, maar Deborah stelt: we geven ‘m gewoon een goed laatste jaar hier.

Deborah heeft nogal veel energie. Zelfs ik zélf val daarbij in het niet (en dat wil heus wat zeggen). Iedere morgen om half zes loopt ze het hele schema door van de medicijnen die de meeste van haar kinderen dagelijks nodig hebben. Hier in Tanzania is er een hele generatie weggevallen door aids. In veel gevallen de ouders van deze kinderen, die dan ook HIV aan hun kinderen hebben overgedragen. Overdag wordt ook hard gewerkt aan het nieuwe grote eigen verblijf van The Olive Branch for Children. Ik ben er niet aan toe gekomen, de nieuwe bouwplaats, een kilometer of 25 vanaf het huidige Zion Home, te bezoeken. De bouw schiet naar haar eigen zeggen niet op, maar binnen 2 jaar moet de héle familie daar wonen, inclusief ook de 15 kinderen die in de Peace Home-dependance zitten en daar worden bemoederd door mama Edina, de Tanzaniaanse submoeder.
Deborah wil op de nieuwe locatie haar eigen school geaccrediteerd krijgen en dan haar organisatie nog veel beter grondvesten.

Er zal dan vast sprake zijn van ‘professionalisering’ – om maar eens een heel westers woord te gebruiken – ten opzichte van het toneel van mijn ervaringen deze afgelopen weken. Hier bij Zion Home in Uyole ga je diep in je onderdompeling in een andere wereld. Geen ‘normale’ WC, geen douche. Koud water uit een plastic bekertje om over je heen te gieten. Een poepgat, dat je zelf zo goed en zo kwaad als kan weer schoongiet met een emmer. Een smoezelige plastic zak, waar iedereen zijn WC-papier indoet. Een huiskamertje waar alle vrijwilligers rondhangen, maar dat ook uitgebreid gefrequenteerd wordt door de kinderen en waar álles rondslingert en blijft liggen. Waar notabene een nestje jonge katten in de kast ligt en moederkat het heerlijk vindt om na het eten de tafel op te klimmen om te kijken, wat er nog te smikkelen valt.
Zelfs Jan Steen zou er niet meer om kunnen lachen. Buiten zitten de dames (een heel contigent dameshulp voor eten en schoonmaken, maar nadrukkelijk op z’n Tanzaniaans; ook een onderdeel van de familie) om de grote potten op de binnenplaats. Daar worden gaarkeukenhoeveelheden rijst en ugali – de maispuree die in Tanzania het nationale dagelijkse voedsel is; smaakt nergens naar - klaargemaakt. Altijd weer de bonen en de spinazie erbij. En een pannen met onbestemde stukken vlees. Eten wat de pot schaft. Na een tijdje merk je dat die dagelijkse behoefte aan ‘lekker eten’, dat luxegedoe van thuis, heel relatief is. We leven niet om te eten! En dan is het goed.

Normaliter is het niet zo heel druk met vrijwilligers. Er zijn er altijd wel een stuk of 5 of zo, maar meest zijn het langdurige verblijven, vaak ook meer dan een half jaar. Op dit moment ook een paar die er al meer dan een jaar zitten en/of nog een jaar zullen blijven. Ze leren de taal, gaan zich er thuis voelen, worden echt part of the family. Maar er waren nu juist ook een paar grote groepen Canadezen en Ieren. Studenten van tussen de 22 en 24 jaar. Ze kwamen ook als groepen, met een vooraf goed afgestemde opdracht voor de vervulling van hun tijd hier. Sommigen richten zich vooral op de kinderen hier; anderen zijn druk bezig met de community development projecten, die The Olive Branch op poten heeft gezet. Aan ‘zomaar-vrijwilligers’ hebben ze hier niet zo veel. Het moet wel echt de juiste toegevoegde waarde hebben.
Ik had Deborah vooraf wel gevraagd, wat het mij zou kosten om hier een tijdje vrijwilligerswerk te doen. In een mailtje kreeg ik te horen, dat het dan om de vergoeding voor verblijf en eten zou gaan: ongeveer 10 dollar per dag. Schijntje dus. Toen ik een paar dagen geleden vroeg om een soort van ‘afrekening’, vertelde ze me (maar dat mag ik natuurlijk niet zomaar veralgemeniseren): “Niko, bepaal alsjeblieft zélf wat je wilt geven. En als je iets specifieks weet, waaraan je wilt dat ik het besteed, dan doe ik dat. Al je geld zal sowieso gebruikt worden voor onze projecten.”

Een paar weken voorafgaand aan mijn komst kreeg ik een mail van Deborah, waarin ze me vertelde, dat ze een mooi project voor me had. The Olive Branch heeft sinds een tijdje een ‘Food Support Program’ draaien, gesponsord door een rotaryclub in Canada. Deze club heeft 5000 dollar gesponsord, voor een jaar. Deborah zou graag wensen, dat deze club dit structureel gaat doen en daarom heeft ze bedacht, dat het goed zou kunnen werken, als ik verhalen schrijf, in woord en in beeld (foto, film) over de mensen die in dit voedselhulpprogramma zitten. Dat zijn er nu zo’n 50. Deze mensen krijgen maandelijks 5 kilo bonen, 10 kilo mais, 5 eieren en een groot stuk zeep. Je zou zeggen: help, daar kan geen mens van leven! Ik ben er achter gekomen, dat er heel wat mensen in dit voedselprogramma zitten, voor wie dit geen additionele bijdrage is, doch de basis voor hun bestaan. Deborah introduceerde Bahati bij me. Hij is mijn vertaler (nog een onderdeel van de familie: de begeleiders en vertalers; jongens die opleidingen volgen en hier hun ‘intership’ doen; er is een gezellige slaap-/woonkamer voor ze aan de andere kant van het terrein) en we gaan acht dagen lang samen op pad. De mensen die we interviewen wonen in de dorpjes op de plains: de uitgestrekte zanderige vlakte met aan de noord- en aan de zuidkant in de verte uitgestrekte bergketens. De dorpjes zijn volgebouwd, zonder enige structuur, met ‘mud houses’. Lemen hutjes. Aangesmeerde en verdroogde modder. Alles is beige van kleur. De bodem, de huisjes en de mensen nemen als vanzelf ook die kleur aan. De huisjes zijn ‘leeg’. Er worden wat houten krukjes aangesleept als ik verwelkomd wordt. Zelf bivakkeren ze doorgaans ook gewoon op de grond. Er staan wat emmertjes en pannetjes; er ligt wat brandhout. Er hangt een dikke rook in het huisje, want er staat wat te pruttelen in het pannetje, rustend op wat rotsige stenen. Verder wat rommel en that’s it. De keren dat ik het stukje doek even wegtrok om het ‘slaapkamertje’ te zien, bleek dat meestentijds ook letterlijk ‘niets’ op te leveren: een leeg donker bedompt kamertje. Men slaapt op de grond.
Oude mensjes met getekende gezichten. Jochies met verlopen en gescheurde shirtjes met Messi en Van Persie op de rug.

In de acht dagen dat we op pad zijn, regelmatig ook 20 kilometer op een fietsbarrel het stoffige veld in, heb ik 35 interviews gedaan. Bijna zonder uitzondering waren het hartverscheurende verhalen. ‘Hoeveel kinderen heeft u gekregen?’ Ze slaan aan het rekenen (hun eigen leeftijd weten ze bijna nooit) en komen dan uit bij gemiddeld zo’n 7 kinderen. Maar gemiddeld leven er dan nog één of twee. Zoiets. Al die dode kinderen; die verloren gegane anderhalve generatie. Al die aids-slachtoffers! Ongelooflijk. Kleinkinderen hebben ze dus veel méér. Daar zorgen ze voor. Hun verweesde kleinkinderen.
Daarnaast nog een boel specifieke andere situaties van armoede, handicaps, totale lethargie, honger, gebroken families, etc. etc. Ik ga ver bij het maken van foto’s. Probeer alle terughoudendheid af te schudden. Het lijkt soms wel voyeuristisch. Maar ik denk dat het moet, ik denk dat het goed is. En Deborah zegt mij ook: joh, een foto zegt meer dan 1000 woorden en het gáát hier ook om ellende. Waar ik erg blij om ben, dat is dat ze me een geweldige fotograaf vindt. Maar ook mijn verhalen zijn goed. Ik voel zelf ook wel aan, dat mijn bijdrage hier iets goeds is en dat ik dit beter kan brengen dan één van die ‘youngsters’. Jawel, ik ben gewéldig blij met dit project, ik ga er totaal in op en schakel elk thuisaangeleerd ervaringsinterpretatiekader volledig uit. Dit is niet iets met plus en min, met mooi en lelijk, dit is een ondeelbare en niet stil te zetten stroom van gevoelens en indrukken.

Uiteindelijk had ik na twee weken een rapport klaar, natuurlijk ook vol met foto’s, alles bij elkaar meer dan 80 pagina’s. Ik ben zelden in mijn leven zélf zo blij geweest met iets wat ik zelf heb gemaakt. Blij ook om het aan anderen te tonen. Trots dus. En dat in maar twee weken. Gisteren was mijn afscheid en heb ik een mooie speech gekregen. En hebben 20 kinderen voor me gedanst en gezongen. Ik hield het natuurlijk niet droog.

The Olive Branch for Children richt zich niet alleen op kinderen. Dit voedselhulpprogramma is er gewoon voor de allerallermeest achtergestelden. De mensen voor wie eigenlijk niks anders meer te doen is, dan te proberen ze finaal nog een béétje comfort te geven. Maar de oma van Doris krijgt het voedsel voor Doris, die 15 jaar is, verschrikkelijk hard werkt om de allerbeste eindresultaten te halen op haar primary school. Zelfs in de vakantie gaat ze naar school om extra te oefenen. Ze wil zó graag naar secondary school! Ah, daar mag mijn geld naartoe, Deborah!

Een stuk of 20 zogenaamde Home Based Care-providers (HBC) zijn bij The Olive Branch in dienst. Zij vertegenwoordigen allemaal een dorp of een subdorp (ja, dat heet ook echt zo, is één van de bestuurslagen in dit land). Zíj zijn de mensen, die de brug moeten slaan. De vrijwilligers zijn er dan ook met name op gericht, de voorlichting aan deze mensen te brengen. Voorlichting over seksuele hygiëne, of condoomgebruik, over voedselhygiëne, of het op de juiste en structurele manier gebruiken van de HIV-remmers, voorlichting over drankmisbruik door de pikipiki-chauffeurs (brommer-taxi’s), etc. Deze HBC spreken geen Engels, zijn wel ‘community leaders’ in hun eigen dorp. Zij moeten die rol echt goed oppakken, maar zijn daartoe vaak ook nog totaal niet goed geëquipeerd. Dat vraagt om ervaring, daadkracht, maar ook om mentaliteitsveranderingen. Of, in ieder geval: het veel beter begrijpen van elkaar. Deborah heeft me ook expliciet gevraagd, daarmee rekening te houden bij het formuleren van adviezen naar aanleiding van de interviews. Vaak, zo heb ik ook zelf kunnen zien, krijgen ze wel voedsel, en dat is helemaal goed, maar is eigenlijk ándere hulp veel belangrijker. Daar moeten de HBC-mensen ook oog voor krijgen. De wegrottende rolstoelen, die ik in verschillende modderhuisjes tegenkwam: probeer ze te laten repareren, want misschien heeft iemand ánders er wat aan! Het is regelmatig onthutsend om te zien, dat het de mensen zelf aan oplossingsgerichtheid ontbreekt. Dat is dan weer die merkwaardige, fascinerende lelijke spiegel, die je jezelf per ongeluk dan weer voorhoudt. Die post-koloniaal die zonodig toch weer even wakkergeschud wordt in me.

The Olive Branch for Children is voor de volle 100% puur en echt. Er is niks opgekalefaterd aan, het probeert aan te sluiten bij de noden die er zijn. Er is ook niks ‘heiligs’ of patroniserends aan, het biedt ruimte aan alle gedachten en focust op nogal intense wijze op geluk en plezier. Er is ook niks belerends, iedereen kan en mag er zijn wie hij is en wil zijn. Dat geldt ook voor de kinderen, met wie Deborah ’s avonds in de grote ontmoetingsruimte samen yoga doet, op R&B of op Afrikaanse muziek danst, voordrachten, debatten en seminars organiseert, etc. etc. “Luister, kinderen, jullie zijn de erfgenamen van The Olive Branch. Jullie gaan de community leaders van de toekomst in dit land worden. Het zijn jullie ooms en tantes, jullie broers en zusters, jullie stamgenoten, voor wie jullie dit allemaal kunnen doen.”

Deborah heeft de juiste manier gevonden, tevens, om haar eigen achtergrond dienstbaar te maken aan haar ongelooflijke project. In het bestuur van de charity voor The Olive Branch in Canada zitten ook haar moeder en zus. Ze heeft een prachtig netwerk in Canada, maar ook in Ierland en in Duitsland, waar mensen structurele sponsorships aan The Olive Branch organiseren, of waarvandaan groepen vrijwilligers komen. Eens per jaar is ze een maand op pad om speeches te houden in Amerika en Europa. Bij elkaar draait The Olive Branch op zo’n 250.000 dollar per jaar. In Nederland goed voor de jaarlijkse (para)medische zorg van een paar hulpbehoeftigen (houd mij ten goede: het is gewéldig dat dat in Nederland kan!), hier in Uyole draait er een hele minimaatschappij op. The Olive Branch leidt, opvoedend en scholend en liefdevol, minstens 50 kinderen op tot de allerbeste vertegenwoordigers voor de ontwikkeling van het land en organiseert ontwikkelings- en ondersteuningsprogramma’s voor mensen in een gebied van 80 bij 40 kilometer, waar zo’n beetje de armste mensen van het land wonen.

Natuurlijk kom ik hier volgend jaar of het jaar daarna weer terug. Ik wil ook zien hoe het verder gaat. En als er dan weer zo’n prachtig project is voor mij om een bijdrage aan te leveren, dan zou dat geweldig zijn.

Niko Winkel, 9 juli 2015


« Terug naar nieuwsblog